Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

Makkinga, 13 oktober 2019

2 Kon. 5: 14-19

Lucas 17: 11 -19

In veel kerken wordt vandaag gecollecteerd voor het Werelddiaconaat. En Kerk-in-Actie doet dit jaar op ons een appèl om “grensoverschrijdend” bezig te zijn. Zij vraagt namelijk speciale aandacht voor jongeren in Colombia. In één van de gevaarlijkste wijken van de hoofdstad Bogota is men een kookschool annex restaurant begonnen. Zestig kansarme jongeren worden er opgeleid tot chef-kok en leren zo om hoogwaardige en gezonde gerechten te bereiden met producten van boeren uit de omgeving. Men leert er de jongeren dat het beter is om uit te gaan van je eigen kracht dan afhankelijk te zijn of te worden van anderen. Zo integreren deze kansarme jongeren in een kansrijk bestaan.
Het lijkt er op dat Jezus ook op die manier te werk ging. Hij was, zo meldt Lucas in onze evangelielezing, onderweg door het grensgebied van Samaria en Galilea. En in zo’n grensgebied is er vaak sprake van vermenging van culturen.
Ik merk het als ik bij mijn dochter in Duitsland ben. Zij woont zo’n 20 kilometer over de grens na Coevorden. Als we daar in de kerk zijn of een schoolfeest meemaken dan hoor ik overal om me heen de mensen in mijn eigen taal praten. Het Platt-duuts heeft namelijk veel overeenkomsten met het Stellingwerfs – mijn moedertaal.
Maar die vermenging van culturen speelt zich niet alleen af bij de taal. Ook in andere elementen van het dagelijks leven zie je dit terug. Met name daar waar mensen elkaar nodig hebben of iets herkenbaars ontdekken bij de ander.
In ons tekstdeel zien we dat gebeuren bij de mensen met huidvraat. Aan het eind van het verhaal weten we dat er in de groep minstens één Samaritaan tussen de Joden zit. Leed verbroedert — zo zegt men vaak, en dat is hier dus ook zo. Ze hebben zich bij elkaar aangesloten. Mensen met huidvraat — melaatsen dus – mochten niet meer tussen de andere – de gewone – mensen wonen. Zij kregen een plek aangewezen ergens buiten het dorp waar zij gezamenlijk moesten verblijven. Op de grens van het dorp komen zij Jezus tegen. Ze blijven op gepaste afstand staan en roepen hun eigen hartstochtelijke kyriëgebed uit: “Jezus, meester, heb medelijden met ons!` Blijkbaar had het verhaal over alle genezingen door Jezus  het dorp al bereikt voordat Jezus er zelf binnen kwam. De zieken hadden blijkbaar al gehoord dat hij mensen de handen oplegde, of ze overeind hielp en dat hun blindheid of verlamming dan was genezen.  Daarom hadden ook zij alle hoop op Jezus gevestigd. “Jezus, meester, heb medelijden met ons!”
En dan zouden wij nu – na al die andere genezingsverhalen – inderdaad verwachten dat Jezus ook hier lichamelijk contact maakt met de zieken. Maar dezelfde wetten die de zieken in acht namen – door buiten het dorp te blijven en op afstand naar Jezus te roepen – diezelfde reinheidswetten houdt Jezus óók in acht.  De “onaanraakbaren” – zij worden door Jezus niet aangeraakt. Het enige wat Jezus doet, is zeggen: “Ga u aan de priesters laten zien.” Daarin toont Jezus zich een goed kenner van de thora. In Leviticus 13 staat namelijk wat de voorschriften zijn omtrent huidvraat, melaatsheid. En ook dat de priester er naar moet kijken. Hij moet dan bepalen of iemand rein of onrein is. Zo’n gang naar de priester was dus een moeilijke weg. Alsof je naar de dokter gaat om te horen wat de uitslag is van een bloedonderzoek. Voor deze mensen – die buiten het dorp al leefden op de grens van leven en dood – zou de uitslag ‘onrein’ betekenen dat ze voorgoed werden buitengesloten van het gewone leven.
Ook in onze maatschappij is hier nog wel eens sprake van. Mensen die in de WIA terechtkwamen, de vroegere WAO, of werkloos werden, zij kunnen er over meepraten hoe ze zich vaak buitengesloten voelen. Net zoals de huidvraat destijds vooral ook een sociale ziekte werd, zo lijkt de werkeloosheid of arbeidsongeschiktheid van nu dat ook. Je kunt aan veel dingen niet meer meedoen. Je leeft in een sociaal isolement en wordt vaak op één hoop gegooid met mensen die de kantjes er bewust vanaf lopen. Ook tegenwoordig zullen veel mensen dan ook wel eens roepen: “Jezus, meester, heb medelijden met ons!”
Het enige wat Jezus tegen hen zegt is: “Ga u aan de priesters laten zien.” Eigenlijk houdt die opdracht van Jezus tevens een belofte in. Want eigenlijk zegt hij hier: “Ga maar onderweg! Je zult zien, dat als je bij de priesters bent aangekomen – dat dan de huidvraat is verdwenen.” En wat opvalt: het verhaal vermeldt niets over tegenstribbelingen. We lezen niks over mitsen en maren bij de zieken.
Dat is wel wat anders dan bij Naäman. Die wilde er eerst niet aan dat hij zich per se in de Jordaan moest onderdompelen. Hij wist nog wel wat water dat volgens hem beter was dan de Jordaan. Hij was uit op een goedkope genezing. Maar het heeft er alle schijn van dat deze zieken – op Jezus’ gezag – zonder te morren op weg gingen.  Van horen zeggen wisten ze namelijk wel dat mensen die precies deden wat Jezus tegen hen zei, weer werden genezen van verlamdheid of blindheid en andere kwalen. Maar ja, als het jezelf betreft, neem je het dán ook klakkeloos aan?
Zij dus wel. Zo gaan ze dan ook gewoon op weg naar de priesters. Dat zij alle tien onderweg gaan, betekent dus dat zij alle tien (!) geloof hadden in de woorden van Jezus.
Hoe zal dat trouwens zijn gegaan onderweg? Zouden ze elk moment zichzelf bekijken om te zien of de huidvraat al over was? Of de genezing al was ingetreden? Zouden ze de moed er bij elkaar hebben ingehouden, zo van: “Kom op we zijn met z’n tienen – we helpen elkaar er wel doorheen!”?  Hoe dan ook, het staat er zo eenvoudig: “Terwijl ze gingen    –    werden ze gereinigd.”
Net zoals in het verhaal uit het Oude Testament, waar Elisa niet bij de daadwerkelijke genezing van Naäman aanwezig is, zo is dat ook hier het geval. De genezing treedt pas op, als de mannen Jezus al hebben verlaten.  daarmee wordt duidelijk dat het niet Elisa of Jezus is die geneest, maar dat de genezing van God komt.
Maar dan staat er vervolgens dat er eentje is die ziet dat hij genezen is. Zouden de anderen het niet gezien hebben? Waren zij er misschien toch al zeker van dat uit zou komen wat Jezus had gezegd? Of hebben zij hun huid misschien niet goed in de gaten gehouden? Of hebben ze gedacht dat ze de opdracht van Jezus moesten volbrengen?  “Ga u aan de priesters laten zien!” De man die terugkeert – hij negeert dus feitelijk Jezus’ opdracht.
Zoals de priester in het eerdere verhaal over de Barmhartige Samaritaan, die Samaritaan links laat liggen en hem aan zijn lot overlaat, zo laat deze Samaritaan op zijn beurt de priester voor wat hij is om naar Jezus terug te keren. Deze Samaritaan – hij wist wie zijn naaste was: namelijk Jezus die hem de weg naar genezing had gewezen, naar God. Hij keerde terug naar Jezus en loofde onderweg God met luide stem. Na het kyriegebed: Jezus, heb medelijden met me – is het nu een glorialied: God lof! Hij viel aan Jezus voeten  neer om hem te danken.
En daarmee zijn we bij het belangrijkste punt van de tekst beland. Dat is de nadruk die Jezus legt op de dankbaarheid. Want direct komen die verwijtende woorden van Jezus: “Waar zijn de negen anderen? Ze waren toch allemaal genezen? Wil er dan niemand terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?” Met andere woorden: Vragen zij zich niet af: “Waar komt dat vandaan?” Jezus eist de eer dus niet voor zichzelf op. Net zoals Elisa geen cadeau wilde aannemen van Naäman, zo wil Jezus dat de genezen mensen niet hém de eer ervoor willen geven maar dank aan God brengen.
Maar er is er dus maar eentje die die moeite neemt. En dat is voor Jezus een zware teleurstelling! In het grensgebied van culturen kun je blijkbaar alles verwachten:  Tot zelfs ondankbare Joden die leven met dankbare Samaritanen!  Nu hebben we al een aantal grenzen gehad in dit verhaal. Het grensgebied van Samaria en Galilea waar Jezus rondliep. De grens van leven en dood waar de melaatsen mee te maken hebben. En de grens van het dorp …..waar de zieken op eerbiedige afstand van Jezus hem smeken om medelijden.
Maar nu hebben we opnieuw een grens bereikt, namelijk de grens van het onbetamelijke – van het onfatsoenlijke. Mensen die genezen worden van een verschrikkelijke ziekte, zij nemen nog niet eens de moeite voor een bedankje. Zij vragen niet waar dit vandaan komt. Zij worden weer opgenomen in de maatschappij, maar een dankjewel kan er niet van af. En na de verwijten aan die ondankbare mensen zegt Jezus tegen de wél dankbare Samaritaan, die op z’n knieën voor hem ligt: “Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.”
Dat is interessant! Want dat geloof bestond dus niét uit het vertrouwen op genezing, want dat hadden ze alle tien namelijk wel getoond. Dat geloof bestond ook niet uit het uitspreken van een geloofsbelijdenis, niet uit een verzoek om te worden gedoopt, niet uit een belijdenis van zonden of schuld. Nee, het geloof dat Jezus bij de Samaritaan ziet dat bestaat uit diens Dankbaarheid.
Dankbaarheid. We hebben het allemaal wel meegekregen,  alleen laten we het niet altijd zien. Het is ook een bemoediging die we elke dag nodig hebben. Ik las ergens: “Wie God oprecht dankt voor wat voorbij is, vertrouwt ook op Hem voor alles wat nog gaat komen.” Zo iemand ontvangt van God drie dingen: de dankbaarheid voor gisteren, de moed voor vandaag en het vertrouwen voor morgen. Dankbaarheid helpt ons vervolgens ook  dingen te veranderen die ons terneerdrukken. De bekende Duitse predikant Dietrich Bonhoeffer – die jarenlang in gevangenschap heeft doorgebracht en in 1945  is gedood door de Nazi’s – hij heeft gezegd: ‘Dankbaarheid verandert kwellende herinneringen in een stille vreugde.’ En hij voegde eraan toe: ‘Als het oog gericht is op Jezus Christus die tot hiertoe heeft geholpen.’ Dankbaarheid is voor Bonhoeffer de echo van de ontferming, van de genade die men heeft ervaren.
Wie echt dankbaar is, toont daarmee ook zijn of haar afhankelijkheid. De Samaritaan uit ons verhaal was zich daarvan bewust. Hij keerde – God lovende – terug naar Jezus. De andere negen – zij ontvangen van Jezus niét de woorden: “uw geloof heeft u gered.” Zij hadden dan wel vertrouwen getoond voor morgen, door onderweg te gaan naar de priesters. Ze hadden ook wel de moed van vandaag laten zien, door Jezus aan te spreken en te vragen om medelijden. Maar ze hadden geen geloof getoond, namelijk de dankbaarheid voor gisteren, voor de genezing – dáár ontbrak het hen aan!

Hoe staat het met onze eigen dankbaarheid? Kunnen wij ondanks onze welvaart nog dankbaar zijn voor wat ons toevalt? Of zijn we als dat verwende jongentje dat op zijn verjaardag zoveel en zulke grote cadeaus krijgt dat hij sommige pakjes nog ingepakt laat liggen en daarmee de gevers teleurstelt vanwege zijn ondankbaarheid?  Kunnen we dankbaar zijn voor wat we wél hebben gekregen ondanks de teleurstellingen die we ook moeten verwerken? Blijven we hangen in het verdriet over ziekte of handicap over een mislukte relatie of een minder leuke baan? Of kunnen we ondanks die vervelende dingen – waarover we terecht verdrietig mogen zijn – maar kunnen we ondanks dát ook nog dankbaar zijn voor wat we wél aan goeds ontvingen?
Van de Samaritaan kunnen we leren dankbaar te zijn. Van Jezus kunnen we leren te vragen waar iets vandaan komt. en ook kunnen we van Jezus leren dat ons geloof pas blijkt uit onze dankbaarheid.  Daarom zingen we ook als een soort gebed: en maak ons innerlijk bewust hoe schoon uw vrede is; hoe schoon uw vrede is.

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
===========================================