Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

Veenhuizen,

Exodus 3: 1 – 15

Lucas 20: 27 – 38

Ik zal een jaar of veertien geweest zijn. Wij hadden op catechisatie een avond over de almacht van God. Een van de deelnemers had er blijkbaar thuis van tevoren over nagedacht of er met zijn vrienden over gesproken. Want hij kwam op de proppen met een onzinnige vraag. Die vraag kwam in een aflevering van vorig seizoen van Het geheime dagboek van Hendrik Groen ook eens naar voren: “Als God almachtig is, kan Hij dan een steen of een rots maken, die zó zwaar is, dat Hij hem zelf niet kan tillen?”
De bekende onzinnige strikvraag, want als God het niét kan – zo’n steen maken, tja….. dan is hij dus niet almachtig. En kan Hij het wél: nou, dan heeft Hij ook geen almacht want dan kan Hij die eigengemaakte steen dus niet optillen.
Dus: wát de predikant ook zou antwoorden, het zou altijd verkeerd zijn  –  tenminste dat dacht de catechisant. Maar de voorganger liet zich niet strikken en gaf de jongen een koekje van eigen deeg. Hij zei:  “God wil zijn macht graag laten zien in deze wereld; en jij moet je afvragen of jij God daarbij wilt helpen…..”
Met de Sadduceeën uit onze tekst gaat het al precies zo. Ze geloven zelf niet in de opstanding, maar zij stellen er wel een vraag over aan Jezus. Dat komen we ook nu nog wel vaak tegen: Mensen die bijvoorbeeld klagen over de politiek, terwijl ze zelf nooit naar de stembus gaan. Of mensen die vinden dat moslims moeten integreren, terwijl ze zichzelf niet beschikbaar willen stellen voor vrijwilligerswerk bij asielzoekers. Of christenen die bidden “Uw Koninkrijk kome……” maar die zelf niet meewerken aan het bouwen aan dat Koninkrijk.
De vraag die de Sadduceeën aan Jezus voorleggen gaat over een oudtestamentische kwestie. Het verwijst naar de boeken van Mozes, de enige bijbelboeken die door hen – de Sadduceeën – werden erkend. Daarin stond dat een man van wie de broer was gestorven zonder kinderen te krijgen, moest huwen met de weduwe en bij haar kinderen moest verwekken. Die kinderen zouden dan op naam van die overleden broer komen, zo kunnen wij uit de bijbel begrijpen.
Het is daarmee duidelijk dat het hier gaat om het belang van het voortbestaan van een geslacht. Hier speelt de eer, de status van een geslacht – en het voortbestaan daarvan – een rol. We zien dat ook in de vele stambomen  die in de bijbel vermeld staan: “En A verwekte B en  B verwekte C “ enzovoort. Ook dáár zien we dus het belang van het noemen van de namen. Mensen vinden het prettig als hun naam voortleeft op aarde. Mensen hechten er aan dat zij iets kunnen nalaten waaraan hun bijdrage aan de wereld is te herkennen.
Bram Vermeulen, de cabaretier die in 15 jaar geleden is overleden, schreef ooit een prachtig lied dat e.e.a. mooi uitdrukt:
Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Het water gaat er anders dan voorheen. De stroom van een rivier hou je niet tegen. Het water vindt er altijd een weg omheen. Misschien eens gevuld van sneeuw en regen, neemt de rivier mijn kiezel mee. Om hem dan glad en rond gesleten, te laten rusten in de luwte van de zee. Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten; ik leverde ’t bewijs van mijn bestaan. Omdat, door het verleggen van die ene steen de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.
Met dit lied gaf Bram Vermeulen aan dat hij het een prettig idee vond – te weten dat hij iets wezenlijks heeft bijgedragen aan de wereld. En daarom kon hij in een ander lied ook schrijven: “Ik ben niet echt dood moet je weten, dood ben ik pas als jij mij bent vergeten”.
Ook wij kunnen stenen verleggen in de rivier op aarde. De stenen die verkeerd liggen in onze maatschappij, de stenen die zwaar op de maag van mensen liggen, de stenen des aanstoots. Aan ons is de uitdaging daar iets mee te doen, opdat de wereld erdoor zal verbeteren. Opdat wij door het verleggen van die stenen meewerken aan de bouw van het Koninkrijk van God.

Terug naar de Sadduceeën. Zij stellen dus die strikvraag over de weduwe: “Van welke man is zij de vrouw, na de opstanding?” Lucas is nog mild in zijn beschrijving van de reactie van Jezus. Mattheus laat Jezus antwoorden met de vraag: “Dwaalt u niet ?” En aan het eind geeft hij dan zelf het antwoord: ”U dwaalt vreselijk !” Bij Lucas blijft het bij de volgende nuchtere vaststelling: “Want wanneer de mensen uit de dood opstaan,  trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt.”
Wij moeten ons dus niet voorstellen dat het er dan precies zo uit zal zien als nu, maar dan zonder oorlog en overstromingen, zonder terreur en dergelijke. Nee, eigenlijk zegt Jezus: “Je kunt je er helemaal geen voorstelling van maken – hoe het zal zijn. Het is in elk geval niet net zoals nu,  dat je trouwt of uitgehuwelijkt wordt.” En Jezus voegt er nog iets aan toe. Hij weet dat de Sadduceeën alleen maar de vijf boeken van Mozes erkennen. En daarom refereert hij aan iets dat Mozes zélf heeft meegemaakt. “Dat de doden worden opgewekt”, zegt Jezus, “dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob.”
Nu is het lastige aan deze tekst, dat Jezus hier zo op het eerste gehoor een fout maakt. Want als we onze eerste schriftlezing er bij pakken dan is het niét Mozes die over deze aartsvaders spreekt. Het is, tot tweemaal toe, God zélf die zegt dat hij ook de God is van Abraham, Izaak en Jacob. Hier dringt zich de vraag dus op: Hoe spreekt God tot ons, in de bijbel, en nu ? Het zou een aparte preek vergen om daar het nodige over te zeggen. Maar wat wel opvalt is dat Jezus hier dus de woorden van God in Mozes’ mond legt. En door dit citaat wordt duidelijk waar Jezus heen wil. Op het moment namelijk dat God deze woorden tot Mozes sprak, waren Abraham, Isaak en Jakob al enkele honderden jaren daarvóór gestorven. Mozes wordt op dat moment door God erop uit gestuurd naar de Farao. Maar Mozes heeft bar weinig vertrouwen in zichzelf. Hij kijkt met gepast ontzag wellicht naar zijn voorvaderen Abraham, Izaak en Jakob – dát waren nog eens moedige mensen. Misschien sprak hij wel over hen met zijn broer Aaron. “Maar – wie ben ik, God, dat U mij deze opdracht geeft?” En dan zegt God:  “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob” Daarmee maakt God duidelijk dat zij – Abraham, Isaak en Jakob – wisten van de trouw van God en door zijn Geest werden geleid. En het zijn mensen waar nog steeds over wordt gesproken. Dat moet een bemoediging zijn voor Mozes, namelijk: “Dezelfde God als van Abraham, Izaak en Jacob –  die mensen die jij hoog acht, Mozes  – diezelfde God zal jou bijstaan bij de Israëlieten en bij de Farao.” Het hartverwarmende woord dat God bij de doornstruik sprak is een bemoediging voor alle volgende geslachten – dus ook voor ons !
Eigenlijk zegt God hier: “Ik ben er altijd geweest en ik zal er altijd zijn. Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jakob. Ik ben de God van je grootvader en van je vader. En ik ben ook jouw God. Vertrouw dus maar op Mij !”
Met dit citaat geeft Jezus de Sadduceeën aan: “Maak je toch niet zo druk over de opstanding. Wees er toch gerust op dat ik er ben, voor jouw voorgeslacht, voor jou zelf en voor jouw eventuele nakomelingen als je die mocht krijgen.” En we kunnen tussen de regels door ook zien dat Jezus min of meer zegt: “Maak je toch niet zo druk om het hiernamaals, het gaat voorlopig om het hier en nu. en leef en handel in dit hier er nu in het besef dat Ik er wás, dat ik er ben en dat Ik er altijd zal zijn. Dan kun je ook met vertrouwen de toekomst tegemoet gaan. Ook de toekomst aan de overkant van de grens van het leven.”

In de tekst wordt nergens iets gezegd over de onsterfelijkheid van de ziel, maar wel wordt door Jezus duidelijk gemaakt dat Gods trouw niet eindigt bij het graf, maar reikt tot in de dood. Het is dié Jezus die de Sadduceeën te kijk zet. Jezus laat hen duidelijk weten dat zij met al hun strikvragen en discussies, dat zij met al hun geredeneer over de opstanding, géén positieve bijdrage leveren aan het Koninkrijk van God. Zij houden zich bezig met onzinnige vragen waar wij nu om lachen. Net zoals die strikvraag over de almacht van God door de catechisant. Jezus houdt de Sadduceeën voor dat zij beter hadden kunnen weten. God heeft aan Mozes al duidelijk gemaakt: “Zoals ik een goede God ben voor Abraham, voor Izaak en voor Jacob – zo ben ik ook een goede God voor jou !”
Door zich met strikvragen bezig te houden, vergeten de Sadduceeën waar het echt om gaat in het leven. Dat is  –  te vertrouwen op en open te staan voor de liefde van God, en vanuit die liefde stenen te verleggen in de rivier op deze aarde. Dát hebben immers ook Abraham, Izaak en Jacob gedaan. Dan weet je dast het wel goed komt.

Toen ik – jaren geleden alweer – de eerste rouwplechtigheid mocht leiden, was dat van een toenmalige collega van me. Ze had een actief leven gehad. Ze had, om zo te zeggen, veel stenen verlegd in de rivier op aarde. Nadat ze wist dat ze erg ziek was en mij gevraagd had te spreken in het crematorium, heb ik nog een aantal goede gesprekken met haar kunnen voeren. De laatste keer dat ik haar sprak en vroeg hoe het met haar was, zei ze “Je moet vooruitkijken en positief blijven, nietwaar?” Vervolgens vroeg ik: “Maar zie je er ook erg tegenop, tegen de dood?” Het bleef een tijdje stil en toen zei ze: “Ik weet, Jan,  dat het wel goed komt”
Zij was iemand die het woordje God niet vaak in de mond nam. Ze had de kerk vaarwel gezegd, zei ze; maar blijkbaar niét haar geloof, want: “Ik weet dat het wel goed komt.”
Zo geloofde ook Mozes uiteindelijk de woorden van God, dat het wel goed zou komen. En zo mogen ook wij erop vertrouwen dat het goed komt. En dus mogen ook wij stenen verleggen in de rivier op aarde en daardoor bouwvakkers zijn die bouwen aan het Koninkrijk van God. We hoeven niet bang te zijn dat we er alleen voor staan. “Ik ben” is met ons. Ik ben – de vader van Abraham, Izaak en Jacob. Het was hun lichaam dat zij achterlieten maar dood zouden ze pas zijn als God hen zou vergeten. Maar dat doet hij niet, want. “Ik ben de vader van Abraham, Izaak en Jacob. Deze doden: zij leven bij God. Maar: ik ben ook jouw God, Mozes.”

Wij leven in een verhaal van God met mensen; een verhaal van een herder die er is voor zijn kudde; een verhaal waar geen einde aan komt. Dat wordt prachtig verwoord in lied 934 uit het nieuwe liedboek:

Ik ben
Ik ben voor jou een nieuwe naam.
Ik ben je God en hier vandaan
ga ‘k als een schaduw met je mee
door de woestijn en door de zee.

Ik ben er als het leven lacht.
Ik ben er voor je in de nacht.
Ik ben er in je hoogste lied.
Ik ben er als je ’t niet meer ziet.

Ik ben de weg waarop je gaat.
Ik ben er zelfs ten einde raad.
Ik ben geschreven als je brood.
Ik ben in leven en in dood – je vriend.

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
===========================================