Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================


Oldeberkoop

24 oktober 2021

Jesaja 59: 9 – 15
Marcus 10: 46-52

“Is er in de wetenschap ruimte voor religie?” Dat was drie jaar geleden het thema van de essaywedstrijd van de Koninklijke Hollandse Maatschappij der Wetenschappen en de NRC. Er kwamen zo’n honderd inzendingen binnen en winnaar werd René van Woudenberg, hoogleraar Filosofie aan de Vrije Universiteit.
Zijn essay droeg in de krant de uitdagende titel: “God bestaat, er is bewijs.” Woudenberg stelde dat er een zuivere orde is in de fysieke werkelijkheid, met sterke wetmatigheden in de natuur op alle niveau’s. En het is een orde die tot nu toe niét wetenschappelijk verklaard kan worden. René van Woudenberg vroeg zich daarom af of het bestaan van die orde wellicht een bewijs kan zijn voor het bestaan van God.
Maar even later stond er een vlammend tegenbetoog in de krant, geschreven door de wetenschapsfilosoof Maarten Boudry. Hij stelde dat God inderdaad vaak op deze manier wordt ingezet namelijk als ‘gatenvuller’, als opvulling voor onze onwetendheid. Als we ergens geen verklaring voor hebben, dan zit God daarachter. En de doorgaande ontwikkelingen in de wetenschap hebben tot gevolg dat die gaten steeds meer wetenschappelijk worden opgevuld, worden verklaard, en daarmee wordt God dan als verklaring steeds meer overbodig.
Dietrich Bonhoeffer schreef al: “God verdwijnt, bij iedere nieuwe ontdekking die de wetenschap doet, verder uit de wereld.” Immers: des te meer er natuurwetenschappelijk wordt bewezen en verklaard, des te minder bewijs zou er dan zijnvoor het bestaan van God – tenminste ……. als je hem als zo’n soort gatenvuller hebt gedefinieerd.

En dat is vergelijkbaar met de opmerking die wordt toegeschreven aan de Russische kosmonaut Yuri Gagarin. Hij maakte in 1961 als eerste een reis van 1,5 uur uur door de ruimte en schijnt vervolgens gezegd te hebben dat hij in die ruimte God niet was tegengekomen. Dat was trouwens helemaal niet nieuw, want in al 1837– van ruimtereizen was nog helemaal geen sprake  – in 1837 schreef Friedrich Rückert al het gedicht

‘Waar is God?’
“De grote astronoom sprak: heel de hemel door
heb ik naar God gezocht, maar vond van hem geen spoor.
En hij sprak waarheid want in maan- en zonnevlekken
en sterrenstelsels is God niet te ontdekken.
Waar is de telescoop die de Onzichtb’re ziet?
Bij getal, macht en gewicht berekent men hem niet.
Wie hem ginds zoekt, kome in zichzelf hem tegen.
Slechts als hij in je is, vind je Hem allerwegen.”

Deze dichter lijkt het met Maarten Boudry eens te zijn dat je God niét kunt bewijzen als verklaring voor onduidelijkheden in de natuurkunde, de astronomie en dergelijke; dus als God wordt opgevoerd als gatenvuller voor niet te bewijzen zaken.
Maar ánders dan Boudry, schrijft Rückert in zijn gedicht God niet af, integendeel: hij ziet God als kracht en bron in de mens zélf! “Slechts als hij in je is, vind je Hem allerwegen.” En daarmee zijn we gekomen bij het thema van vandaag: Met andere ogen. Het geeft namelijk in slechts drie woorden weer, wat de kern is van de evangelielezing van vandaag. En natuurlijk mogen mensen er ook wel een letterlijk wonder in zien, in dat verhaal, maar het échte wonder is dat je leert zien ‘met andere ogen’.
In het gedicht van Rückert maken de wetenschappelijke ogen, de ogen die waarnemen, die vaststellen, interpreteren en dergelijke, die ogen maken plaats voor de ogen van de ziel, van de verwondering, van het gevoel, van het inleven en mededogen. “Slechts als hij ín je is, vind je Hem allerwegen.”
God is voor Rückert pas waar te nemen, óók om ons heen, als we in élk geval God in onszelf laten wonen en hem daar ervaren. Lied 333 uit ons liedboek zegt het zo mooi: “Kom, Geest van God, maak onze harten open, dat Christus bij ons woning vindt.” Daar gaat het uiteindelijk om: dat de Geest van God, die Christusgeest ook in onszelf aanwezig is. Dán worden onze spirituele ogen geopend voor de aanwezigheid van God – om ons heen, in andere mensen én in onszélf.

We gaan naar de tekst uit het Marcusevangelie, het verhaal over de genezing van Bartimeüs. Allereerst: dat verhaal heeft een wel erg eigenaardig begin. Een wat vreemde tekst zo op het eerste gezicht. Er staat in vers 46: “Ze kwamen in Jericho.” Punt. En dan direct erna: “Toen hij met zijn leerlingen weer uit Jericho vertrok,……..” Aankomen in Jericho en er weer uit vertrekken, dat is alles wat er staat. Over het verblijf in Jericho en wat zich daar allemaal afspeelde, daarover lezen we helemaal niets. Dát schijnt onbelangrijk te zijn geweest. Waarom dan tóch dit wel wat cryptische begin van ons tekstgedeelte? Blijkbaar was het voor Marcus dus  toch van wezenlijk belang dat de naam Jericho even werd genoemd. Ik kom daar straks op terug.

De zoon van Timeüs hoorde dat Jezus uit Nazareth voorbijkwam. ´Jezus uit Nazareth´, zo kende iedereen hem, zo was hij bekend; dat is de manier waarop de mensen blijkbaar over hem spraken. Maar Bartimeüs schreeuwt wat ánders om de aandacht te trekken: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!” Zoon van David – daar zit een veel diepere betekenis achter dan achter de woorden ‘Jezus van Nazareth’. Jezus van Nazareth is slechts een plaatsnaamaanduiding. Maar met de titel “Zoon van David” werd Jezus aangesproken door mensen die, in geloof, genezing zochten. De vrouw van wie de dochter door een kwade geest bezeten werd (Mtt 15:22), de twee blinden langs de weg (Matteüs 20:30), en dus ook Bartimeüs; ze riepen allemaal de Zoon van David om hulp. Zoon van David – achter die woorden schuilt dus geloofsvertrouwen.
Maar de omstanders, die met Jezus uit Jericho waren meegekomen, zij snoeren Bartimeüs de mond en snauwen hem toe dat hij stil moet zijn. Zij ‘zien niet’ dat ze hulp moeten bieden in plaats van snauwen. Zij ‘zien niet’ dat ze op deze manier hun christenplicht verzaken. Zij zien niet – zij zijn namelijk ziénde blind…….
De vermelding van de naam van de stad Jericho door Marcus wordt hier wellicht duidelijk in het optreden van deze omstanders. Zij hebben namelijk een dikke huid voor de schreeuw van de blinde, een huid zo dik als de muren van Jericho destijds waren, de muren die door het blazen op de ramshoorn moesten omvallen.
Op deze eerste schreeuw van Bartimeüs vallen die dikke huiden van de omstanders nog niét omver. Daarom schreeuwt hij des te harder: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!” Het is alsof Bartimeüs z’n stem als een sjofar laat schallen, net zoals toen op de zevende dag, toen de muren van Jericho moesten vallen.
En hier is het Jezus die Bartimeüs te hulp komt. “Roep hem”, zijn de eenvoudige woorden die hij zegt.
En als een blad aan de boom verandert de houding van de omstanders. Direct is de dikke huid, die ze eerst nog hadden, omgevallen. Waar ze eerst de blinde nog toesnauwen dat hij zijn mond moet houden, is het nu vertederend: “Houd moed, sta op, hij roept je!” Zij hebben blijkbaar uit ervaring geleerd dat, als Jezus roept, dat er dan redding te verwachten is. Tegelijkertijd moeten ze zich schuldig hebben gevoeld. Zij hadden, als volgelingen van Jezus, toch moeten weten, moeten zién, dat iemand die schreeuwt om hulp, geholpen moet worden? Nu ze die twee eenvoudige woorden horen: ‘Roep hem’,worden ze herinnerd aan en geconfronteerd met hun opdracht.

Maar die twee woorden ´Roep hem´, die zeggen ook nog iets anders: “Roep hem”, dat houdt ook in dat Jezus niét naar Bartimeüs toe komt. Als je beter wilt worden, dan zul je zelf in actie moeten komen. En met beter worden, doel ik niet op het genezen van een erge ziekte. We moeten ons namelijk in alle ernst afvragen of je voor een dergelijke genezing wel kunt en mag bidden. Hoe vaak zien we niet mensen sterven die hardgrondig hebben gebeden om genezing…. Is God dan een God van willekeur…? Is er dan niet goed genoeg gebeden? Nee, bidden doe je om kracht en sterkte voor jezelf of anderen en dan steek je tegelijkertijd je armen uit de mouwen en zet je je oren open en laat je je hart spreken, om die ander te steunen en te bemoedigen. Het is bid én werk!
Als geloofsgemeenschap zou dat ook onze levenshouding moeten zijn: een pastorale houding van hulp, ondersteuning, begrip en tolerantie. en dan niet alleen naar elkaar toe, maar ook naar anderen. Wij kunnen wel om Jezus roepen, of om het Koninkrijk van God, maar we zullen zélf de stappen in de goede richting moeten zetten. In het door ons gezongen lied 925 hebben we de wens uitgesproken om in onszelf weer de zachtheid op te wekken, niet meer blind zijn maar weer de ogen van een kind krijgen. Dat wil zeggen dat we naar een stuk onbevangenheid terugkeren. Onbevangenheid en zachtheid ook jegens mensen om ons heen: zonder oordelen of vooroordelen, zonder blik op de buitenkant, maar proberen tot het innerlijk van mensen door te dringen. In de woorden van het lied: “Dat ik zie wat is.”
Soms zijn we immers blind voor de werkelijkheid, willen we er niet aan dat in het vreemde ook iets goeds kan schuilen; zijn we wellicht te kortzichtig geweest in ons oordeel; vonden we het moeilijk geconfronteerd te worden met de werkelijkheid, of zagen we maar één kant van het verhaal.

Een van de benamingen van God is ‘Ziende de onzienlijke’. De relatie tussen gelovigen en God wordt gekenmerkt door het ‘gezien’ en gekend worden door God. “Dat ik zie wat is. En mij toevertrouw.” De ‘blinde’ Bartimeüs lóóft niet alleen die ‘Ziende’ – hij gélóóft ook in die Ziende, hij vertouwt hem blindelings. Daarom had Bartimeüs geschreeuwd om hulp. Hij was wellicht gefrustreerd door zijn handicap, door zijn armoede,  of door het feit dat hij geen eigen naam heeft, maar door het leven gaat als Bar-timeüs, dat betekent zoon van Timeüs. Misschien had hij Jezus daarom aangesproken met ‘Zoon van David’. Wellicht was Bartimeüs verhard en had hij moeite met de werkelijkheid. Hij kwam in opstand tegen het onrecht van de omstanders.

En dán volgt één van de meest vreemde vragen uit de Bijbel: Jezus zegt: “Wat wil je dat ik voor je doe?” Wij zouden denken “Wat is dat voor een vraag als een blinde bij je komt?” Maar sommige mensen wentelen zich zó in hun ellende dat het maar de vraag is of ze er echt van genezen willen worden. Want dan zijn ze immers ook de aandacht van anderen kwijt, dan moeten ze zichzelf redden en hebben geen reden meer tot klagen.
Maar het antwoord van Bartimeüs is vertederend: “Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien.”
Jezus gunt hem vervolgens het licht in de ogen en, vooral, in zijn hart. Door de ontmoeting met Jezus kan Bartimeüs weer zien, inzien en doorzien. Hij was al een klein eindje op weg door zich niet te laten intimideren door de grote mond van alle kortzichtige omstanders door die dikhuiden als de muren van Jericho. Het geloof van Bartimeüs in de Ziende heeft hemzelf ziende gemaakt. Hij kan weer ervaren en inzien wat mens-zijn betekent: “Dat ik zie wat is.”

Ook vandaag de dag zijn er zieners in de geest van Bartimeüs:
de leerkracht die oog heeft voor het vergeten kind;
de politicus die oog heeft voor mensen tussen de wal en het schip;
de huisarts met oog en aandacht voor de angsten van de patiënt;
buurtbewoners met oog voor de vreemdelingen in de wijk;
vrijwilligers met oog voor de vereenzaamde oudere;
de predikant met oog voor pastoraat en nazorg.
Want er zijn altijd mensen die bang zijn om buitengesloten te worden:
uit vader- of moederland omdat ze in opstand komen tegen dictatuur;
uit eigen dorp omdat ze tot een andere etnische groep horen;
uit de sociale gemeenschap omdat ze anders geaard zijn;
uit de kerk omdat ze meer oog hadden voor mensen dan voor dogma’s.
Die dictators, die vreemdelingenhaters, de homofoben en de mensen die van dogma’s hun rotsvast geloof hebben gemaakt én dat geloof ook aan anderen willen opdringen, zij zijn blind voor de opdracht van Jezus om geweld, haat en letterknechterij los te laten. In de woorden van lied 333: zij haten het licht.
Jezus roept ons op om onze zachtheid weer op te wekken. Jezus, de Zoon van David, die Jezus is ons voorgegaan in het zien, dat is solidair en trouw zijn aan mensen; dat is trouw zijn aan God. Als geloofsgemeenschap die zijn naam draagt – christenen – kunnen, nee, moéten wij mensen serieus nemen in hun emoties.

Geloven gaat niet over het bewijzen van God in de kosmos of de natuur. Geloven gaat om verbinding tussen mensen, met andere ogen leren kijken en Christus, de mensenzoon, volgen in zijn menselijkheid. “Slechts als hij in je is vind je hem allerwegen.”
We kunnen hem volgen door de woorden van lied 973 niet alleen te zingen, maar ze ook in ons dagelijks handelen proberen waar te maken: “Om voor elkaar te zijn uw oog en oor, te zien wie niet gezien wordt, niet gehoord, roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn, uw liefde, hoop, geloof – uw zonneschijn. Dat het zo moge zijn.

(c) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.