Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

Boijl

27 september 2020

Matteus 21: 23 – 32

Het is alweer enkele jaren geleden. Op de televisie was een uitzending

waarin enkele jongeren werden gevolgd door een cameraploeg. Daarnaast werden tussendoor ook enkele ouders geïnterviewd. Van sommige van die ouders kreeg je de indruk dat ze er prima normen en waarden op nahielden.
Mijn zoon…”, zo zei een van de moeders, “mijn zoon gaat in het weekend wel naar de disco, maar hij gebruikt gelukkig geen peppillen.”
Maar ze vervolgde: “ En als hij dat wel zou doen, dan kwam hij er bij mij niet meer in.”
Ze kon dat zo zeggen, omdat ze hem regelmatig waarschuwde en er een grenzeloos vertrouwen in had dat haar zoon haar wijze raadgevingen serieus zou nemen.
In een volgend fragment kwam haar zoon in beeld. Hij werd ergens buitenshuis geïnterviewd, zonder zijn moeder. De zoon was wat verlegen in z’n antwoorden. En hij wist dat de teeveeploeg ook gesprekken had met zijn moeder. De vragensteller vroeg aan de zoon: “Vertel me nu eens, gebruik je wel eens peppillen?” De zoon reageerde wat schuchter. “Ja, maar mijn moeder weet van niks.” “Zou je het haar wel durven vertellen?”, was de vervolgvraag. “Jazeker, ik was van plan het haar morgen te gaan zeggen.”
Ook de volgende dag was de filmploeg op de locatie aanwezig en ze waren ook aanwezig bij dat bewuste gesprek. Moeder en zoon zaten aan tafel. “Ik…eh, ik, ‘k moet je iets vertellen”, zei de jongen bedeesd, “ik, eh, ik gebruik wel eens een pilletje in de disco.” Zijn moeder wist even niet meer hoe ze het had, maar ze herstelde zich snel. Van de uitspraak zat ze hem er dan uit zou gooien, daar bleef gelukkig maar heel weinig van over. Maar ze praatte wel flink op haar zoon in om hem te wijzen op andere jongeren die ook zo waren begonnen; jongeren die inmiddels volledig verslaafd waren of opgenomen in een afkickcentrum. Vooraf zei ze dat ze hem eruit zou smijten als hij zou gebruiken, maar toen hij het opbiechtte deed ze het uiteindelijk toch maar niet.

Dit verhaal deed me denken aan de gelijkenis van de twee zoons. De gelijkenis lijkt een gemakkelijke boodschap te hebben. Want zeg nu zelf, wat is hier beter: Ja zeggen en nee doen, of eerst nee zeggen en later alsnog de handen uit de mouwen steken? De hogepriesters en oudsten hebben dan ook geen enkele moeite om op de vraag van Jezus het juiste antwoord te geven. Natuurlijk is het veel beter om je ten goede te bekeren, dan ten kwade. Het goede antwoord dat ze geven ligt er daarom ook duimendik bovenop.

Maar het probleem is dat dit alleen een gespróken antwoord is en niet – of nóg niet  – een doorleefd en in daden omgezet antwoord. De hogepriesters en oudsten belijden hier dus met de mond het goede en ze weten precies hoe het moet, wat hoort, wat van hen gevraagd wordt.
Maar Jezus houdt hen na dit goede antwoord een spiegel voor. En het beeld van die spiegel is ook glashelder. “Ik verzeker u:”, zegt Jezus, “de tollenaars en hoeren zijn u vóór  bij het binnengaan van het koninkrijk van God.”
Dat moet een geweldige dreun zijn geweest voor hen die dachten een uitmuntend leven te leiden en bij God hoog aangeschreven te staan. Dat moet een hard gelag zijn geweest voor de mensen die, bij wijze van spreken, elke zondag vooraan in de kerk zaten. Jezus wijst hen er fijntjes op dat ze slechts ‘lippendienst’ bewijzen en dat ‘woord en daad’ bij hen mijlenver uit elkaar liggen.

En dan komt Jezus aan het eind terug op het deel dat direct aan de gelijkenis vooraf gaat en dat we óók gelezen hebben. Daar hadden de hogepriesters en oudsten aan Jezus gevraagd of hij zich wilde legitimeren. Jezus genas namelijk blinden en verlamden en hij werd daarom door de kinderen in de tempel bejubeld met: Hosanna, voor de Zoon van David.” En dát nu was tegen het zere been, het dogmatische been, van hen die Jezus op fouten wilden betrappen; die vonden dat hij zichzelf teveel profileerde en naar voren schoof. Zij merkten dat het ontzag van de mensen  niet meer voor hén bestemd was, maar voor Jezus.
Daarom was hun vraag aan Jezus geweest: “Op grond van welke bevoegdheid doet je eigenlijk die dingen? En daarbij: wie heeft jou die bevoegdheid gegeven?” Dit zijn vragen van mensen die zich gepasseerd voelen, vragen van mensen die maar op één manier tegen de werkelijkheid aan kunnen kijken, namelijk alleen op hún éigen manier. Zij hebben zich ingegraven in hun eigen gelijk, in hun eigen geloofsbelijdenis ook.
Maar zoals we van Jezus gewend zijn, gaat hij niet in op hun vraag naar zijn bevoegdheid. Omdat hij weet dat het geen échte vraag is, maar een strikvraag. Daarom reageert Jezus ook door een strikvraag terug te stellen; een vraag die als een bal teruggekaatst wordt naar de hogepriesters en oudsten. “In wiens opdracht doopte Johannes eigenlijk?”, vraagt Jezus hen.
En omdat ze niet als ongelovigen willen overkomen, maar tegelijkertijd wel weten dat ze Johannes niét geloofd hebben, komen ze met een verlegenheidsantwoord: “Wij weten het niet.”
En dan volgt dus de parabel van de twee kinderen met het Ja en Nee. De hogepriesters en oudsten weten dat de eerste zoon het beste handelde: Nee zeggen – maar ja doen. Maar daarmee veroordelen ze dus ook onbedoeld hun eigen levenswijze. Zij zeggen namelijk, net als de tweede zoon, wel ‘ja’ tegen God en zijn goede boodschap, de boodschap van recht en gerechtigheid, maar ze zetten dat ‘ja’ niet om in daden. Ze zeggen dus wel ‘ja’ tegen de barmhartige en vergevende God, maar zelf brengen ze geen barmhartigheid en vergeving in praktijk. Eigenlijk zijn het daarmee huichelaars.

Nee, dan de eerste zoon. Die is tenminste zo eerlijk om direct vanuit z’n hart ‘nee’ te zeggen. Maar gaandeweg ziet hij in dat het beter is om toch maar ‘ja’ te doen. Zulke mensen zijn mensen naar Jezus’ hart: tollenaars en hoeren bijvoorbeeld, die zich vervolgens bekeren. Grote woorden en beloften maken op God geen indruk. Net zo min als het keurig opvolgen van regeltjes, het onderschrijven van dogma’s of geloofsbelijdenissen. Dit is allemaal slechts een vorm van ‘ja’ zéggen.
En op zich is daar natuurlijk niks mis mee, maar ‘geloven’ is een werkwoord, je doet het met handen en voeten. namelijk door er te zijn voor de mens die je nodig heeft, En als we dat niet doen dan wordt ons gesproken ‘ja’ niet door de daarbij horende daden opgevolgd. Dan wordt het gemakkelijk gegeven ja in de praktijk een keihard ‘nee’. Dat ‘ja’ zeggen krijgt namelijk pas betekenis en waarde als wij het met ons hele leven, ook in de kleinste dagelijkse dingen, be-amen en het concreet gestalte willen geven. Het is als met die voetbalslogan: geen woorden maar daden !

Maar, de gelijkenis wil ons nog meer zeggen: Aan de ene kant is het, dat niemand zijn geloof, of het toegezegde heil, als definitief mag beschouwen. Ook voor de ‘ja’-zéggers is er de voortdurende oproep tot bekering, namelijk: de bereidheid hebben om hun gedrag, steeds opnieuw, door het evangelie ter discussie te laten stellen. Doen ze dat niet dan leidt dat geloof tot zelfgenoegzaamheid, tot zelfbevestiging en tot het negeren van de vragen uit de wereld. Met een beroep op de bijbel worden dan mensen veroordeeld: “God zegt het toch ? En het staat toch in de bijbel !” Dat zijn uitspraken van mensen die anderen de les willen lezen. Het zijn uitspraken van mensen die God als rechter opvoeren, maar die zelf maar al te graag het vonnis willen vellen. Dat was de ene kant die Jezus met de gelijkenis wil doorgeven: Ja-zeggers moeten oppassen dat ze geen nee-doeners worden.
Maar de andere kant is er ook: nee-zeggers mogen weten dat niemand onherroepelijk veroordeeld of verdoemd is. Het enige wat ze moeten doen is tot inzicht komen en zich bekeren. En daarmee zijn we bij de tekst uit Ezechiël beland, waar staat: “Als iemand tot inzicht en inkeer is gekomen, en niet langer misdaden begaat, zal hij zeker blijven leven en niet hoeven sterven.” Dus: hoe ver een mens ook mag zijn afgedwaald van God, vanaf het ogenblik dat hij tot inkeer komt en bereid is zijn gemaakte fouten te herstellen, vanaf dát moment wordt hij weer opgenomen in de liefde van God. Geen vergelding hier tot in het derde of vierde geslacht.

De vraag is: welke zoon of dochter zijn wij? Zeggen wij vlug ‘ja’, in de hoop dat men ons dan met rust laat, terwijl we diep van binnen eigenlijk wel weten dat we het uiteindelijk toch niet zullen doen? Want wie te vlug ‘ja’ zegt – een ‘ja’ dat niét uit het hart komt, die kan zijn of haar woord niet houden, die wordt een nee-doener. Maar  de voorkeur van Jezus gaat uit naar de mensen die een eventueel ‘nee’ in hun hart eerst wel durven uitspreken en,  nadat ze erover nagedacht hebben, alsnog inzien dat ze verkeerd zaten. Jezus vraagt ons om niet te oordelen. Wij moeten niet willen uitmaken wie de beste zoon uit het verhaal is. Allemaal hebben we bekering en nieuwe kansen nodig.

Iemand had twee zonen – en beiden worden door Jezus opgeroepen tot bekering. De eerste zoon wordt opgeroepen om trouw te blijven aan het gegeven ja-woord, ondanks alles. De tweede zoon wordt opgeroepen zijn nee nog eens te heroverwegen, en tot inzicht en ommekeer te komen.

We gaan even terug naar die moeder uit dat televisieprogramma. “Mijn zoon komt er bij mij niet meer in als hij peppillen gebruikt.” Dat was haar “ja” op de normen en waarden van deze tijd en op de vraag of ze een goede ouder was; maar het was tegelijkertijd een ‘nee’ tegen de zoon.
Gelukkig heeft de moeder zich op tijd bekeerd. Want nu de zoon uit eigen beweging opbiechtte dat hij wel eens wat slikte, nu kon ze het niet over haar hart krijgen om hem de deur te wijzen. Gelukkig kon ze het opbrengen om het gesprek aan te gaan en te proberen op die manier met hem in dialoog te blijven, hem te wijzen op de gevolgen, voor hemzelf en voor zijn omgeving. Ze veroordeelde wél het slikken van pillen door de zoon, zijn gedrag, maar daarmee veroordeelde ze nog niet haar zoon als persoon. Haar zoon is voor haar veel meer dan ‘de jongen die pillen slikt’. Haar zoon is ook de jongen die openhartig is jegens haar de jongen die iets opbiecht waar zijn moeder bepaald niet blij mee zal zijn.

Zo moeten we altijd oppassen met het veroordelen van anderen op basis van iets waar wij het zelf niet mee eens zijn. Of dat nu een theoloog is die anders met de bijbel omgaat dan wij doen, of een gevangene die terecht veroordeeld is voor een misdrijf, of een kind dat een andere keuze maakt dan wijzelf….
Ook die theoloog is zoeker naar God en kan ons wijzen op zaken waar we zelf nog niet aan gedacht hebben. Ook die gevangene is misschien een fantastische ouder voor zijn kind of een enorme steun en toeverlaat voor zijn medegevangen. Ook dat kind dat foute vrienden heeft en verkeerde keuzes maakt bestaat uit meer dan die zes uren disco per week.

De dingen die verkeerd zijn, die moeten we vooral verkeerd blijven noemen. Maar we moeten ons tegelijkertijd wél realiseren dat ook wijzelf geen foutloze heilige boontjes zijn. Als wij oprecht in het leven staan, dan beoordelen we mensen uiteindelijk op hun hele menszijn. Dan prijzen we iemand niet de hemel in op basis van een goede naam, of op basis van vrome uitspraken of kerkelijkheid alleen. Dan beoordelen we of dat ‘ja’ ook in de daden tot uiting komt.
Ik heb ze meegemaakt, de mensen die uitspaken deden als die moeder van de teevee: “Als mijn dochter moet trouwen, dan heeft ze voor mij afgedaan.” “Als mijn kind met een moslim thuiskomst, dan is dáár het gat van de deur.” “Als mijn zoon met de politie in aanraking komt, dan hoef ik hem niet meer in huis.” Alsof hún ouders altijd zo blij met hén zijn geweest. Alsof zij zelf  superieur zijn aan hun kinderen.
De opmerking van deze ouders zou niet moeten zijn: “O wee, als je dit op dat doet of hebt gedaan….!” De vraag die ouders zouden moeten stellen is: “Hoe voel jij je vandaag? Wat gaat er eigenlijk in jou om? Wat geloof je, wat zou je willen? Waarom doe je wat je doet? Hoe zie jij jezelf?

Opvallend is dat geen van beide zoons in de gelijkenis wordt veroordeeld. Wie wel veroordeeld worden, dat zijn de hogepriesters en de oudsten. Zij die Jezus door een strikvraag klem willen krijgen. Zij die mooie woorden spreken en halleluja roepen maar die niet doen wat God van hen vraagt.

De vraag is vandaag aan ons: “Jongen, meisje, vrouw, man: ga vandaag in de wijngaard aan het werk.” En wij, wat antwoorden doen wij? En, nog belangrijker: wat doen wij?

(c) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.