Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden (meestal: nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

24 maart 2019

Exodus 6: 2-8

Lucas 13: 1-9

Het is misschien heel ongebruikelijk, maar ik begin vanmorgen met een samenvatting van de kern van de gelijkenis van de vijgenboom. En dat doe ik met het volgende verhaal: Een rabbi plantte op een dag een johannesbroodboom. Iemand kwam er langs en vroeg aan de rabbi:  “Hoe lang zal het duren, voordat die boom vruchten gaat dragen?” “Zeventig jaar”, antwoordde de rabbi. “Zeventig jaar! Denk je dan nog zó lang te leven?” vroeg de ander. “Nee,” antwoordde de rabbi, „maar zoals mijn voorouders voor mij bomen hebben geplant, zodat ik er de vruchten van kan plukken, zo plant ik deze boom voor mijn nakomelingen.”
Dit gedrag van de rabbi is een schril contrast met de wereld van vandaag. Wij leven in een samenleving waarin alles snel en flitsend moet. Er moet in onze prestatiemaatschappij vlug resultaat worden behaald. Investeringen moeten zo snel mogelijk worden terugverdiend. Als mensen zich druk maken over de opwarming van de aarde worden ze door sommige politici weggezet als klimaatdrammers. Dat heeft iets van “Na mij de zondvloed” .
In interviews wordt mensen soms maar enkele minuten gegeven om hun verhaal, over soms ingewikkelde kwesties, uit de doeken te doen. En als een geinterviewde ook maar even nadenkt en daardoor stilvalt, dan komt direct een volgende vraag over hem of haar heen, of wordt gesuggereerd dat men het antwoord schuldig moet blijven. Geduld mag dan, volgens het spreekwoord, wel een schone zaak zijn, er zijn steeds minder mensen die dat geduld kunnen opbrengen. Korte lontjes en lange tenen lijken tegenwoordig gemeengoed te zijn. En ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de media hierin een grote invloed hebben gehad en nóg hebben. Sommige interviews of andere teeveeprogramma’s – ze lijken afgeraffeld te moeten worden.
Hoe interessant een programma als De Wereld Draait Door ook is, het beneemt mij soms de adem als Matthijs van Nieuwkerk allerlei zaken opleest vanaf de auto-cue. Ja, denk ik dan, inderdaad: de wereld draait door….
Toen ik eens door TV-Oost werd geïnterviewd over de Stellingwerven, kreeg ik de indruk dat ze een eigen verhaal wilden afraffelen en mij daarbij tussendoor ook nog even aan het woord moesten laten. Enige verdieping van het onderwerp was totaal niet aan de orde.
De gelijkenis uit het gelezen Lucasgedeelte heeft laten zien dat dit ongeduld niet iets nieuws is van onze tijd. Jezus gebruikte altijd voorbeelden uit het dagelijks leven. Zo ook hier. Iemand, die een vijgenboom had geplant, constateert na drie jaar, dat die boom nog steeds geen vruchten draagt. Voor hem is de maat vol: “Hak hem maar om”, zegt hij tegen de tuinman. Maar die tuinman heeft meer geduld. Geen wonder: hij werkt dagelijks in de wijngaard dicht bij de natuur, en is vertrouwd met de langzame groei van sommige planten en struiken. De eigenaar komt maar een enkele keer langs  en dan meestal alleen om de opbrengst van de oogst te incasseren. “Weer geen vruchten, waardeloos, hak ‘m maar om!”
De tuinman doet dan het voorstel om het nog een jaartje aan te zien. “Mochten er dan nóg geen vruchten zijn gekomen,” zo zegt hij, “dan kunt u hem alsnog omhakken.” De tuinman weet de eigenaar heel fijntjes te bewerken. Hij doet hem een voorstel dat-ie eigenlijk niet kan weigeren. Hijzelf, de tuinman, is immers de deskundige op dit gebied? En ongetwijfeld zal de tuinman als bijgedachte hebben gehad: “Als ik de eigenaar zover krijg dat hij nog een jaar geduld heeft, wie weet leert hij daarvan om vervolgens wat minder veeleisend te zijn, om wat meer compassie aan de dag te leggen met de vijgenboom; om niet te snel een eindoordeel uit te spreken.” Het gaat in dit verhaal namelijk ook om ‘niet te snel te oordelen’.

De gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom is immers een reactie op de vraag van sommige aanwezigen. Zij suggereren dat de dood van enkele Galileeërs, wellicht duidelijk maakt dat die zondiger waren geweest dan de anderen. Jezus verwijst dat oordeel met nadruk naar de prullenbak. Hij roept ook de toren van Siloam in herinnering: Die achttien mensen die er onder bedolven raakten en stierven, zouden die schuldiger zijn dan de andere inwoners van Jeruzalem? Nee!  “Zeker niet!” zegt Jezus. Het leggen van een logisch verband tussen dood en zondig zijn, wijst Jezus dus resoluut van de hand. Sterker nog: hij zegt dat degenen die zo hard oordelen, tot inkeer moeten komen en anders zélf zullen sterven.
Dat cigd: Jezus legt dus wél de relatie tussen ‘hard oordelen’ en sterven….!

Maar het stemt so wie so tot nadenken, gemeente. Niet zelden werd er – en wordt ook tegenwoordig – een verband gelegd tussen een grote ramp en de mensen die er wonen. Tsunami’s in islamitische landen?  Ja, dan hadden ze zich maar moeten bekeren tot het christendom! Bommen op een stad waar mensen zich gedragen als in Sodom en Gomorra?  Tja, dan hadden ze maar anders moeten leven! Jezus veroordeelt zo’n opstelling en roept juist op tot inkeer. In plaats van met de beschuldigende vinger te wijzen zou er juist medeleven betuigd moeten worden. In plaats van hard te oordelen, zou je die mensen juist kunnen helpen.
In deze veertigdagentijd worden wij door dit verhaal opgeroepen om de ander, om ook elkaar, nieuwe kansen te geven, kansen om opnieuw te beginnen. Ons te bezinnen op hoe we tegen andere mensen aankijken. Of we hen beoordelen op of veroordelen om hoe ze nu zijn of dat we hen willen laten groeien en de kans willen geven om positieve vruchten te dragen. De vruchten van de Geest.
Maar het gaat niet alleen om ons snelle oordeel over anderen; nee, we moeten ook kritisch naar ons eigen gedrag kijken. In die zin zijn we ook zélf de vijgenboom. We mogen onszelf dan ook de vraag stellen: Wat moeten wij doen om goede vruchten te dragen? Wellicht moeten wij het moestuintje van ons leven eens goed omspitten en bemesten om zodoende God, om zo het goede, een kans te geven in ons leven.

In die zin is dit niet alleen een verhaal voor de veertigdagentijd. Nee, in dit stuk klinkt ook Pasen al op de achtergrond mee. Het gaat niet alleen over lijden en dood, het gaat niet alleen over de uitspraak: “Hak hem maar om!” Nee, het gaat ook om een nieuwe toekomst die wordt geboden: “Geef hem nog een jaartje de kans!”
Dat is ook het thema van de lezing uit Exodus. Daarin gaat het ook over de belofte van een nieuw begin temidden van gruwelijk lijden. Tegenover het hardvochtige beleid van de farao, krijgen we als het ware vier werkwoorden te horen, waarmee de Eeuwige, zijn naam zij geprezen, ons zal bevrijden: Vier woorden: Uitleiden, redden, verlossen en aannemen. Vier woorden die klinken als een bevrijding uit de slavernij. Die eigenaar van de vijgenboom, dat is tegelijkertijd de farao van Egypte: veeleisend en belastend. De wijngaardenier, de tuinman, die staat voor God: “Ik ben de Heer en ik zal de last, die de Egyptenaren je oplegden, van je afnemen; ik zal je uit je slavenbestaan bevrijden. Ik zal jullie aannemen als mijn volk.”

De gelijkenis over de onvruchtbare vijgenboom, die lijkt een open einde te hebben. Het slot is immers de smeekbede van de wijngaardenier om  de boom nog een jaartje met rust te laten. En mochten er dan nóg geen vruchten aan komen, dan zou die boom – als het moet – alsnog omgehakt kunnen worden. Maar, óf er dat vierde jaar weer geen vruchten aan komen, en of de eigenaar in dat geval ook zélf wellicht meer geduld zou hebben, dat wordt allemaal niet duidelijk. Dat blijft open. Maar helemáál open is het eind van de gelijkenis toch ook weer niet. Het is niet voor iedereen een lijdzaam afwachten.
“Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust”, zegt de wijngaardenier, “tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven.” De eigenaar kan het dan nog wel een jaartje aanzien, en de vijgenboom kan nog een jaar rust krijgen, maar de tuinman, de wijngaardenier, die neemt géén rust. Die verplicht zichzelf tot het omspitten van de grond

en tot het geven van mest. Die tuinman, gemeente, die staat dus symbool voor God. Het groeien vindt immers ook plaats als de boer slaapt.
De kern van de gelijkenis is daarmee duidelijk: Wij moeten ons niet teveel aantrekken van de eisen van anderen, of van hun overhaaste oordeel, of van hun ongeduld. Nee, we kunnen en mogen leven vanuit de overtuiging dat ons telkens weer een nieuwe kans wordt geboden. En tegelijkertijd, dat de grond om ons heen wordt omgespit en dat we mest krijgen, groeimiddelen. Wat wij daardoor zélf kunnen en moeten doen, dat is uiteindelijk vruchten dragen. Goede vruchten.
En één van die vruchten is dat wij ook ánderen tot groei en bloei willen laten komen. Dat wij geduld hebben met anderen en ze de tijd geven zich te ontwikkelen, te ontwikkelen, niet alleen in hun eigen témpo – dat óók – maar vooral ook dat ze zich op hun eigen maniér kunnen ontwikkelen.
Maar al te vaak hebben mensen onredelijke verwachtingen van anderen, hopen ze dat de ander dezelfde keuzes maakt die zij zelf maken. Maar ware liefde is dat je je eigen verwachtingen loslaat en blij kunt zijn met het gegeven dat die ander zich ontwikkelt tot een eigen zelfstandige persoonlijkheid. Er is zo’n prachtige poster van Loesje die hetzelfde verwoordt: Blijf jezelf – er zijn al zoveel anderen! Zoiets geldt ook in de opvoeding. Jammergenoeg zijn er ook ouders, die de hoop hebben dat hun kinderen dezelfde keuzes maken als zijzelf. Maar ook die kinderen moeten een eigen persoonlijkheid ontwikkelen. Ouders moeten daarom niet willen dat hun kinderen kopieën zijn van henzelf. Nee, ze moeten hen weerbaar maken voor het grote leven, hen een goede basis meegeven om op voort te borduren en dan het vertrouwen hebben dat het goed komt. En ach, een beetje spitten en zo nu en dan wat mest geven kan natuurlijk nooit kwaad; maar het is ook goed om te denken: “Och, laat ik hem of haar nog maar even een jaartje de tijd geven.”

Dit verhaal, gemeente, biedt ook mogelijkheden tot reflectie. We kunnen er ook een vraag uit halen om even over na te denken: Wie waren of wie zijn ‘vruchtdragende’ mensen voor u en waarom? Als ik daar voor mezelf een antwoord op geef, dan komen er uiteraard een aantal familieleden voorbij: mijn ouders, mijn grootvader, een tante; mijn vrouw uiteraard. Maar, en dat zal u misschien enigszins verbazen: ook mijn kinderen. Ik vind het fascinerend om te zien, hoe zij alle vier een geheel eigen weg zijn gegaan, ook met betrekking tot het geloof. En toch is er de onderlinge band en het wederzijdse respect. Het nageslacht moet niet bestaan uit klonen maar uit kinderen. En natuurlijk zijn er ook dán wel eens lastige periodes. Maar daar kom je sterker uit als je de ander in zijn of haar waarde laat.
Naast deze familieleden waren er ook andere vruchtdragende mensen: Docenten op mijn opleiding theologie in Leeuwarden; enkele vrienden waar ik meer mee heb dan alleen maar plezier beleven, maar met wie ik de diepte van het leven kan proeven en bespreken; schrijvers van boeken die mij de weg hebben gewezen in mijn geloof en benadering van de bijbel: Louis Bähler, Dietrich Bonhoeffer, Dorothé Sölle, Eugen Drewerman. Tekstschrijvers van liederen: Huub Oosterhuis, Sietze de Vries, Michaël Steehouder.
Het zijn allemaal mensen die door hun manier van leven en geloven, door hun manier van schrijven en dichten van teksten en liederen, stappen hebben gezet naar de ander, naar u, naar jou en naar mij. Misschien is het een vraag om straks tijdens de koffie over na te praten: Wie zijn ‘vruchtdragende’ mensen voor u geweest (of nóg) en waarom?
Maar, ook wij kunnen op ónze beurt stappen zetten naar de ander, hen bemoedigen en inspireren; rust geven wellicht, kortom: vruchtdragers zijn. De vraag van zopas kunnen we daarom ook omdraaien: Voor wie wil ik, voor wie wilt u, vruchtdragend zijn? En hóé gaan we dat doen? Hoe gaan wij de tuin rondom die ander omspitten? Met welke figuurlijke mest zou die ander het beste tot groei en bloei kunnen komen? Niet zozeer een vraag voor bij de koffie misschien, maar voor als u eens tijd en ruimte hebt voor bezinning. De verhalen van Jezus kunnen ons daarbij helpen. Zij vormen immers vaak een gelijkenis met ons leven hier en nu!
In deze veertigdagentijd kunnen wij tot inkeer komen en ons bezinnen; bezinnen op de vraag wat en wie ons inspireert én op de vraag voor wie wij een inspiratiebron kunnen zijn en hoe. Zet die stap naar de ander. Als het kan vandaag nog. Dus een tweede punt om over na te denken is: Voor wie wilt u, voor wie wil ik, vruchtdragend zijn?

We zingen zo meteen:
In de bloembol is de krokus,
in de pit de appelboom,
in de pop huist een belofte:
vlinders fladderen straks rond.
In de koude van de winter
groeit de lente ondergronds,
nog verborgen tot het uitkomt,
God ziet naar zijn schepping om.

Een prachtig lied dat ook mooi past bij de dorre vijgenboom. In die vijgenboom huist, ondanks zijn dorheid, toch een belofte, dus die hakken we nog niet om. Zo kunnen wij ook naar onze medemensen kijken: niet naar wat ze nú niét kunnen, maar naar waar ze wel goed in zijn en ze helpen om dát te ontwikkelen. ‘t Is nog verborgen – tot het uitkomt. God ziet naar zijn schepping om. En daar mogen wij als zijn medewerkers een steentje aan bijdragen!

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
===========================================