Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================


Scherpenzeel

15 maart 2020

Exodus 17: 1-7

Johannes 4: 5 – 26

Voor deze eerste zondag waarop de meeste kerken gesloten waren vanwege het Coronavirus had ik de dienst al geheel voorbereid. Dus plaats ik hier ook maar de tekst van de overdenking.

De Protestantse Kerk in Nederland gaf 10 jaar geleden een boekje uit dat als titel meekreeg “Spreken over God”. Het kreeg als ondertitel mee: Een pastorale handreiking. Het boekje wil helpen bij het onderling spreken over God. Dat kan dan in gemeenten, in gespreksgroepen en dergelijke. Opvallend is dat er geen pasklare antwoorden werden gegeven. Blijkbaar was men er zich terdege van bewust dat eenduidige antwoorden op de vraag naar God niet mogelijk zijn.

De indirecte aanleiding voor dat boekje vanuit de synode was een boek van predikant Klaas Hendrikse. Hij schreef  het boek: “Geloven in een God die niet bestaat”. Klaas Hendrikse was destijds dominee in Middelburg, maar heeft van de kerkelijke autoriteiten en veel gewone kerkleden nogal wat kritiek gekregen. Men eiste zelfs zijn afzetting. Zijn stelling was kort gezegd: ‘God bestaat niet, (komma) God gebeurt.’
Volgens Hendrikse bestaat God niet zoals een tafel en een stoel, je kunt hem geen hand geven en hij zetelt niet ergens op een troon. Nee, je ontmoet je God in jouw relatie met andere mensen.
“Onzin”, zeiden anderen, zoals de vroegere voorman van de Gereformeerde Bond. Deze Jan van der Graaff zei in een vraaggesprek met Andries Knevel: “Het is net zoals met ‘onrecht, onrecht kunnen we ook niet vastpakken of zien, maar het bestaat wel !”
Fout, dacht ik toen. Helemaal fout. Want: ook onrecht bestaat niet! Je kunt immers ook onrecht niet vastpakken of aanwijzen als object. Nee, onrecht ..….gebeurt ! Net zoals Hendrikse het beschreef over God. Ook onrecht gebeurt! In de manier waarop mensen met elkaar omgaan. En ook in de manier waarop mensen juist niét met elkaar omgaan, elkaar mijden en doodzwijgen.

Onrecht. We komen het ook tegen in de tekst van vandaag over Jezus die bij de berg de Samaritaanse vrouw ontmoet. Hij vraagt de vrouw “geef mij wat water te drinken” ‘Water’ kan in de bijbel verschillende betekenissen hebben. Het kan staan voor dood en verderf. Dan is het vaak het water van een meer of van de zee. Maar water kan ook precies het omgekeerde betekenen: bron van leven, of van zuivering.
Jezus vroeg de vrouw dus om water. Hij vroeg niet of hij haar putemmer mocht lenen, om zélf water uit de put omhoog te halen. Nee, de vraag was of zij hém water wilde geven. Het lijkt erop alsof Jezus wil zeggen: “Ik vraag jou om water – om aan te geven, dat ook jij een verrijking bent voor mijn leven. Een bron van leven.”  Of “Ik vraag jou om water omdat het denken van ons – de Joodse gemeenschap waartoe ik behoor – gezuiverd moet worden; gezuiverd van onze houding tegenover jullie, de Samaritanen.”
Daar kunnen veel mensen vandaag de dag nog wel wat van leren. Politici die niét uit zijn op de dialoog, maar op de confrontatie. Die niét uit zijn op begrip maar op veroordeling; die fake-nieuws de wereld in twitteren om er als partij zelf garen bij te spinnen. Het zijn mensen die angst hebben voor het vreemde in plaats van nieuwsgierig te zijn naar de inbreng van een andere cultuur of een ander geloof. Als onze verre voorouders zich ook zo afwijzend hadden opgesteld dan hadden wij nu niet hier in deze kerk gezeten. Dan hadden die voorouders zich niets van Bonifatius aangetrokken, of van Luther of van Calvijn. Jezus stelt zich open voor de inbreng van de vrouw in het gesprek; door met haar in contact te treden – gaat hij in tegen onrecht hij doorbreekt namelijk een taboe dat bij de Joden toen sterk heerste. Als man sprak je een vrouw niet in het openbaar aan en zeker niet met een Samaritaanse!

Maar Jezus stuurt ook aan op wederkerigheid. Als de vrouw wat tegensputtert vanwege de gebruikelijke afstand tussen Joden en Samaritanen, dan geeft Jezus aan dat óók zij, die Samaritaanse vrouw, het levend water nodig heeft, het zuiverende water. “Want,” zegt Jezus, “het water dat ik geef, zal in mensen een bron worden waaruit water opwelt, dat eeuwig leven geeft.”
Even later zal blijken dat Jezus het over de Geest heeft. Dan wijst de Samaritaanse hem op de verschillen tussen het geloof van háár en haar volk en dat van Jezus – dat van de Joden. Ze zegt: “Onze ouders vereerden God op déze berg,” “en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.” Maar Jezus wil juist niét de nadruk leggen op deze theologische verschillen. Hij zegt: “Er komt een tijd dat je noch op deze berg, noch in Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. Wie de Vader echt aanbidt, aanbidt hem in geest en waarheid.” Jezus doorbreekt zo de grenzen van de religies; hij geeft aan dat er iets is dat uitgaat bóven de verschillende godsdiensten. Het gaat er volgens hem om dat wij in waarheid gaan leven; en in de Geest. Dat is de Geest van God. De goede, liefdevolle, Geest.
Wat dat inhoudt, dat liet Jezus zelf al zien. In zijn lijdensweg die hij niet uit de weg ging, maar die hij juist volhield tot het bittere einde. Als je in die geest leeft dan hoef je niet krampachtig aan je eigen gelijk vast te houden. Dan kun je heel ontspannen staan tegenover anders-gelovigen. Dan hoef je niet te schrikken van voorgangers of schrijvers die eens een ander geluid laten horen. Jezus overbrugt in zijn houding de kloof tussen de berg en Jeruzalem. Hij overbrugt de kloof tussen de Joden en de Samaritanen en die tussen man en vrouw, wat heel ongebruikelijk was in die tijd, maar zo handelde hij wel in de Geest van God.

Tussen die twee geloven op die berg, tussen de Samaritaanse en Jezus, daar sliep niét de duivel tussen, nee, daar liep God tussen. Op die berg, bij die ontmoeting, daar was God aanwezig. God was daar niet aan te wijzen – nee, God gebeurde er! “Want God is Geest”, zegt Jezus tegen de vrouw.
En tenslotte zegt zij dan op haar beurt: “Ik weet wel dat de messias zál komen.” Zij geeft dus aan dat ze wel geïnteresseerd is in de God van Jezus. Zij heeft zich verdiept in het geloof van de mensen die haar met de nek nakijken, omdat ze een vreemde is de mensen die haar geen hand willen geven, omdat ze een vrouw is, die haar terug willen sturen naar haar eigen land, want ze hoort hier niet. “Ik weet wel dat de messias zál komen.”
Jezus’ reactie moet voor haar een eyeopener zijn geweest; hij zegt: “Dat ben ik, degene die met je spreekt.” Met andere woorden: “Je hoeft me niet meer te verwáchten, Ik ben er al”

Och, ook wij verwachten vaak heel veel van de toekomst ook vanuit ons geloof. Het paradijs, het eeuwig leven – och, dat kómt, láter ! Eens zal alles anders worden, zal alles beter worden. Ooit! Stil maar, wacht maar, alles wórdt nieuw! Dán zal het lam bij de leeuw liggen. “Wij weten wel dat de messias zál komen.” Maar…. door ons alleen op de toekomst te focussen, hebben we te weinig of geen oog voor wat er nú al gebeurt. Want ook tegen ons kan nu al gezegd worden door mensen om ons heen: “Dat ben ik, degene die met je spreekt.”

Door haar openhartige opstelling, heeft deze Samaritaanse vrouw – in Jezus – God ontmoet. Als iedereen zich zó zou opstellen in het leven, in de verwachting dat in iedere ontmoeting met een ander God kan worden ontmoet, dan zou de wereld er heel anders uit zien. Dan is eeuwig leven geen toekomstverwachting meer maar een realiteit door het eeuwig leven gevende water dat we elkáár dan ook kunnen aanreiken.

Ook in de gelezen tekst uit Exodus gaat het over water. Het gedeelte maakt deel uit van een groter geheel waar boven staat: “Israël in de woestijn op de proef gesteld.” Na de doortocht door de Rietzee, komt het volk van de ene woestijn in de andere. En de woestijn staat in de bijbel vaak voor een tijd of een plaats van grote beproeving, van grote vragen, tegenslagen en teleurstellingen. Israël krijgt in die woestijn eerst bitter water voorgeschoteld en daarna ontbreekt het hen aan voedsel. “Waren we maar bij de vleespotten in Egypte gebleven!”
Maar het bittere water werd zoet nadat Mozes een stuk hout in het water gooide. En de honger kon 40 jaar lang gestild worden met manna dat uit de hemel regende. Maar vanuit de woestijn Sin, zo meldt onze tekst, gingen ze wéér verder van pleisterplaats naar pleisterplaats. En bij Refidim aangekomen was er opnieuw geen drinkwater. En weer gaan ze morren. Logisch ! Immers: juist in de woestijn heb je behoefte aan koel helder water en doe je er alles aan om het te krijgen. Net zoals Jezus dat vroeg van de Samaritaanse vrouw. Het volk wordt opstandig, zó erg zelfs, dat Mozes bang is dat ze hem zullen stenigen.
En dan krijgt Mozes een stem van God. Hij moet met zijn staf op de rots Horeb slaan en dan zal er water uit stromen. Mozes noemde die plaats daarom Massa en Meriba. Volgens de tekst was dat, omdat het volk had gevraagd: “Is de Heer nu in ons midden of niet?”

Oók zo’n ervaring die wij wel kennen, denk ik We hebben ergens tekort aan, of we worden ziek of er zijn andere dingen waardoor we helemaal van slag zijn. Ons gelukkige leventje wordt helemaal overhoop gehaald. Dan hebben ook wij wel de neiging om ons af te vragen: “Is de Heer nu in ons midden of niet?” Veel mensen verwachten God in het grote, in het buitengewone. God moet hun ziekte wegnemen en hen weer beter maken. Hij moet voorkomen dat in Afrikaanse landen verschillende stammen elkaar gaan uitmoorden. Hij moet het Coronavirus geen kans geven een pandemie te worden. En in het kader van de biddag voor gewas en arbeid moet God zorgen voor droogte in tijden van voortdurende regenbuien, en als het te lang warm en droog is moet hij juist regen brengen. Als wij ons aarde verontreinigen, moet God tóch zorgen dat de oogsten riant zijn en de groei voortreffelijk. God moet…..
Maar is dit wel een terechte, een realistische, verwachting van ons? Zit God in die wonderbaarlijke, in die grote, dingen? Als ze al gebeuren?

Ook als wij zelf in de woestijn, in de onderwal van ons leven zitten en we hebben behoefte aan helder water of aan vast voedsel, met andere woorden: als het even niet zo goed met ons gaat, dan hebben we vaak de neiging te vragen: “Is de Heer nu in ons midden of niet?” Of: “Bestaat God eigenlijk wel??” Maar al die tijd zijn we wellicht teveel gefocust op de grote dingen op iets bijzonders, iets bovennatuurlijks, iets wonderlijks. Terwijl we daardoor misschien de kleine gebaren over het hoofd zien: die helpende hand als we gestruikeld zijn; die troostende schouder als we verdriet hebben; het luisterend oor als we ons verhaal kwijt moeten.
We realiseren het ons vaak niet, maar er is bijna altijd iemand in onze nabijheid, iemand die tot ons zegt “Dat ben ik, degene die met je spreekt.” De Samaritaanse vrouw ontmoette God in Jezus, maar het omgekeerde is ook waar: Jezus ontmoette God in de Samaritaanse. En wij? Wij kunnen onszelf de vraag stellen: In wie ontmoet ik God?

De Russische schrijver Leo Tolstoj schreef het volgende korte verhaal. De oude schoenmaker Martin Avdeich is oud en het leven moe. In een droom vertelt God hem dat hij hem de volgende dag zal bezoeken. Avdeich wacht die dag in grote spanning af, maar …… God ziet hij niet. Wél ziet hij een oude man die bijna bezwijkt onder het sneeuwruimen. Ook ziet hij een arme weduwe met haar kind. En tenslotte ziet hij een jongen die een appel van een vrouw wil stelen.
Avdeich zorgt met compassie en liefde voor de betrokkenen: Hij nodigt de oude man uit in zijn huis, hij kleedt en voedt de arme weduwe met haar kind en hij voorkomt dat de jongen de appel kan stelen en helpt ook hém.
’s Avonds is hij moe en voelt zich door God bedrogen. God kwam niét! Maar dié nacht heeft Avdeich weer een droom. In die droom laat God aan Martin zien, dat hij, Martin Avdeich in die mensen van de vorige dag God heeft ontmoet en welgedaan.
Tolstoj gaf dit verhaal als titel mee: “Waar liefde is, is God.”
Waar liefde is, is God…… Peter Barthel, auteur van het prachtige boekje ‘Professor, bestaat God?’, die Barthel schreef daarover, over Waar liefde is, is God: “Als mensen dát iédere zondag willen horen of maar één keer per jaar met Kerst, of als ze die bezieling op geheel andere manieren willen ontdekken of ervaren, het is mij om het even, zolang die bezieling maar handen en voeten krijgt, dat wil zeggen in daden wordt vertaald.”
Want als wij liefde laten zien, laten wij God zien. En andersom ook: Als wij liefdevolle aandacht krijgen, dan is dat een Godservaring.
Er zijn soms mensen die op een of andere manier problemen hebben en dan vervolgens het verwijt aan God maken: “Waar was u nou, toen ik u zo verschrikkelijk nodig had op mijn ziekbed? Of in mijn eenzaamheid, of in mijn zorgen? Nou God, waar was U?”

En dan zal het antwoord zijn: “Ik was er in het adequaat handelen van de ambulancebroeder; ik was er in de verzorgende hand van de verpleegkundige; ik was er in dat bloemetje namens de kerk; in het kaartje van de buren; ik was er in het gesprek dat je had met de pastor; ik was er in het spelend kind om je heen; ik was er in de muziek van Bach, of welke muziek je maar mooi vond; ik was er in de merel in je tuin en in de glimlach van je vriend. Ik was er in de persoon die zijn of haar nek voor jouw uitstak.
…..Ik wás er steeds, in allerlei gedaanten, maar jij.. wou mij ..niet zien.”
Als wij zo meteen om ons heen kijken hier in de kerk of straks buiten, dan kunnen wij in andere mensen God ontmoeten. Want: waar vriendschap is en liefde dáár is God. Dán gebeurt God! “Om voor elkaar te zijn uw oog en oor, om voor elkaar te zijn uw hand en voet roept u ons Christus uw gezicht te zijn (lied 973).

(c) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
===========================================