Preek van de voorlaatste keer

Ned-vlag

Hier staat de voorlaatste nederlandstalige preek die ik gehouden heb. Soms staat de laatste preek (Preek van deze week) er erg kort op en hebben mensen geen gelegenheid gehad om hem te lezen. Nu gaat er dus minimaal nog een preek ‘overheen’ voordat deze wordt verwijderd.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

Scherpenzeel,

Psalm 42

1 Johannes 4: 12 – 5: 1

Inleidende woorden:

Omdat ik pas twee weken geleden gevraagd werd in deze dienst voor te gaan heb ik me niet gehouden aan het zondagse leesrooster, omdat ik daar nog geen preek over gehouden heb.
Begin dit jaar kwam er een boek uit (Vrijzinnig Verleden – 2) waarvoor ik een hoofdstuk schreef over Louis Adriën Bähler, predikant in mijn woonplaats Oosterwolde van 1902 tot 1909. Hij was in Oosterwolde en Fochteloo destijds een zeer geliefd persoon, maar voor veel anderen was hij een nogal omstreden predikant. Hij had het vaak aan de stok met de overheid en kerkelijke organen. Er zijn zo’n 180 preken van deze ds. Bähler bewaard gebleven die ik heb allemaal gekopieerd. Nog niet allemaal gelezen trouwens, En één van die preken (uit 1897 !) heb ik gebruikt als basis voor de overdenking van vandaag met als thema. ‘Waar is God? De basistekst voor de overdenking is Psalm 42. In het begin van de overdenking loop ik kort even door de psalm heen waarna ik het thema ‘Waar is God’ verder zal uitwerken.

Waar is God?
Dat is de intrigerende vraag die we vanmorgen behandelen. Kinderen kunnen die vraag soms heel onbevangen stellen als je ze naar bed brengt, zo vlak voor het slapen gaan. En geef dan maar eens een kort en bondig antwoord. Volwassenen stellen die vraag ook, vooral en met name als ze de beelden uit Syrië zien of van andere schokkende gebeurtenissen.
Als een kinderpsychiater jongens in Thailand misbruikt, als 39 Vietnamezen de dood vinden in een koelwagen, als massagraven worden gevonden in Mexico: Waar is dan God?
Die vraag wordt soms ook door critici gesteld, zoals in psalm 42. In die psalm wordt het hert – de moede hinde – gebruikt als beeld voor de ziel die verlangt, smacht, ja die zelfs ‘schreeuwt’ naar God. De psalmdichter zit blijkbaar flink in de put en snakt naar ontspanning, net zoals het vee in een periode van erge droogte smacht naar water. De dichter van de psalm heeft veel verdriet en grote twijfel. En dat wordt versterkt doordat zijn vijanden steeds maar vragen: “Waar is dan je God?“
Blijkbaar zien zij iets aan hem of straalt hij iets uit waardoor ze hem steeds weer lastig vallen: “Waar is dan je God?”
Vers 6 van de psalm is een refrein dat in het laatste vers terugkomt: “Wat ben je bedroefd mijn ziel.” En ditzelfde refrein klinkt ook in het laatste vers van de volgende psalm, psalm 43. Het gaat in dit refrein dus over de ziel die bedroefd is en onrustig. Dát is de rode draad die door beide psalmen heen loopt. De onrust. De dichter voelt zich door God verlaten: “Waarom vergeet u mij?” En hij voelt zich belaagt door zijn vijanden, want die stellen de hele dag door die cynische en spottende vraag ‘Waar is dan je God? ’
Die vraag gaat de psalmdichter door merg en been. Er zijn wel verschillende oorzaken die de dichter leed bezorgen, maar het meeste lijkt hij last te hebben van de opmerkingen die zijn vijanden als giftige pijlen op hem afvuren. Hij hoort voortdurend als een echo die vraag: “Waar is dan je God?”
Het lijkt er op dat hij vroeger veelvuldig God loofde en dat zijn tegenstanders hem nu sarren met de vraag: “Maar waar is hij dan nú, nu jij het zo moeilijk hebt??” En wellicht knaagt het aan hem dat hij – ondanks zijn godsgeloof – tóch geen antwoord heeft op die vraag: Waar is mijn God?”
We kunnen ons afvragen: Wat voor godsgeloof heeft hij dan gehad? Want een waarachtig geloof laat zich toch niet zomaar wegnemen; het is de mens juist tot steun, óndanks kritiek van anderen. Gelukkig blijft ook de psalmdichter hoopvol gestemd. Hij spreekt zichzelf moed in in het refrein: Vestig je hoop op God; hij ziet en redt me; eens zal ik hem weer loven. Maar ….. op de achtergrond klinkt nog steeds die kritische vraag: “Waar is dan je God?”

Die spottende vraag uit psalm 42 klinkt ook vandaag de dag steeds vaker. Het vanzelfsprekende geloof van vroeger is er niet meer en veel mensen zijn God kwijtgeraakt of hebben hem nooit gevonden. En daar komt soms die bijtende vraag van filosofen of atheïsten nog bij: “Waar is dan die God van jullie?”

Welnu, gemeente, wát is dan ons antwoord? Waar ís dan onze God?? Nu zal niemand van ons daarbij denken aan een fysieke plek, zodat we zouden kunnen zeggen: “Kijk dáár is God, of dáár! Dáár!” Nee, zo werkt het niet. Dat ondervond ook de Russische astronaut Yuri Gagarin  In 1961 maakte hij 1,5 uur lang als eerste een baan om de aarde. Het verhaal gaat dat Gagarin na afloop gezegd zou hebben dat hij – in zijn vlucht door de ruimte – God niet was tegengekomen. Die uitspraak was trouwens al eens veel eerder gedaan.In 1837 al – er was nog helemaal geen sprake van ruimtereizen –maakte de Duitse dichter Friedrich Rückert het gedicht Waar is God? En aan het eind beantwoordde hij zelf die vraag. Het gedicht luidt:
“De grote astronoom sprak: heel de hemel door
heb ik naar God gezocht, maar vond van hem geen spoor.
En hij sprak waarheid, want in maan- en zonnevlekken
en sterrennevels is God niet te ontdekken.
Waar is de telescoop die de Onzichtb’re ziet?
Door maat, getal, gewicht berekent men Hem niet.
Wie God daarginds wil zien die kome in zichzelf hem tegen.
Slechts als Hij ín je is, vind je hem allerwegen.”

……….Slechts als Hij ín je is, vind je hem allerwegen.

“Waar is dan je God?” Die vraag kun je alleen maar stellen aan iemand die eens gezegd heeft, of nóg steeds zegt, dat hij of zij in God gelooft. Er moet een soort belijdenis aan zijn voorafgegaan: “Ik geloof in God!” De meesten van ons hier zullen dat ook zeggen: “Ik geloof in God!” Maar als we elkaar vervolgens zouden vragen, wat we daarmee bedoelen, met die God in wie we zeggen te geloven, dan zouden we wellicht schrikken van de reacties. Want die vraag zou heel veel verschillende antwoorden opleveren. Sommigen zouden het zelfs een wat ongemakkelijke vraag vinden en hun schouders ophalen: “Tja, ja wat moet ik daar nu op zeggen?”
Maar iemand ziet God in de natuur, een ander ziet in hem de albestuurder, een derde neemt hem waar in anderen mensen. Een vierde heeft het beeld van een hemelse rechter voor ogen. En nummer vijf denkt dat God lijdt met mensen die lijden. En dan er zijn ook nog eens allerlei schakeringen daar tussenin.
Ieder van ons heeft waarschijnlijk zo zijn of haar eigen beeld van God. Dat geldt voor christenen, moslims, hindoes, ja voor alle gelovigen. Maar al die verschillende antwoorden kunnen toch niet betekenen dat we ook allemaal een andere god hebben? Immers, in dat geval zouden we zelfs in de kerk tot het heidense meergodendom zijn vervallen. Nee, de Heer onze God, is één! Er is geen andere God.
Maar ook al is onze God ook één, unieke God, dan nóg weten wij dat ieder mens zijn persoonlijke ervaringen met (die) God heeft. In die zin kunnen we dus ook wel degelijk spreken van zijn of haar God, van ‘uw God’ of ‘mijn God’. Maar ook dán komt die vraag op óns af: “Waar is dan die God van ons?”

Ds. Bähler hield in de preek uit 1897 zijn gemeente het volgende voor: “God is verre van u, als ik Hem niet door uw nabijheid nabij voel.” Met andere woorden: Als ik God niet ervaar in het contact met jou dan moet je me niet wijs maken dat jij in God gelooft. Dat is nogal wat.

“Waar is dan je God?” Bähler vroeg het aan verdrietige, bezorgde en twijfelende mensen: “Maak mij niet wijs”, zo zei hij, “dat uw ziel vol vreugde is terwijl de somberheid van uw gelaat spreekt. Ik kan niet geloven dat er in uw binnenste Goddelijk licht is, als dat niet weerspiegeld wordt op uw gezicht.” En ook zei hij : “Een gelovige die in radeloosheid verkeert is te vergelijken met een licht dat duisternis uitstraalt. Geen van beide kan bestaan!” Bähler doelde op de kloof tussen leer en leven, tussen woord en daad, de kloof tussen de geloofsbelijdenis en het handelen van de mensen. We kunnen de woorden ook eenvoudig naar ónze tijd overbrengen: Sommige mensen zeggen tegen de klippen op te geloven in God, maar de omgeving merkt daarvan weinig in de dagelijkse omgang. Mensen weten vaak precies wat God wil, maar die wil ook uitvoeren? Mensen dienen God soms met woorden om slechte daden te maskeren. Want,
als je als dienaar van de kerk kinderen misbruikt, waar ís dan je God?
Als je als soldaat Gott mit uns op de koppelriem draagt: Waar ís die God?
Als mensen elkaar onderling niet verdragen, waar is dan hun God?
Als politici de minstbedeelden in de steek laten: Waar is dan hun God?
Als je als gelovige andere godsdiensten verkettert, waar is dan jóúw God?
Als ik geen aandacht heb voor mijn zieke buurvrouw, waar is dan mijn God?
Als ik kwaad spreek over een ander, waar is dan mijn God?
Dat zijn toch allemaal tekenen van een dood geloof, of zelfs van ongeloof? Want: “Dood geloof”, zo zei Bähler, “dood geloof  is mest voor het onkruid van het ongeloof.”

In de gegeven voorbeelden komt de vraag van buiten: Waar is je God? In psalm 42 komt die vraag concreet van de vijanden van de dichter. Maar niet alleen stemmen van buiten kunnen die vraag stellen. Het kan ook de stem van ons geweten zijn. Ons geweten immers neemt het altijd voor God op. In ogenblikken van grote verleidingen of bij beslissende keuzes kan die waarschuwende stem van ons geweten spreken: Waar is je God? Maar die vraag gaat er dan ten diepste niet om waar onze God is, nee, de achterliggende, de eigenlijke vraag is: Waar sta ik zelf? En het vervolg is dan: waar sta ik ten opzichte van God?

Dat is so wie so al een vraag om even bij stil te staan: wat geloof ik? Er verschijnen met regelmaat boeken over het geloof en over God; soms zijn dat boeken die een enorme stroom van kritiek krijgen, vooral als de schrijver bepaalde dogma’s loslaat of ze zelfs afwijst. Ik hoef maar de namen te noemen van Klaas Hendrikse, Harry Kuitert, Cees den Heyer en Herman Wiersinga en u weet waarover ik het heb. Het is mij meerdere keren gebeurd dat mensen dan tegen me zeiden: “Jan, die auteur van dat boek, die pakt me mijn geloof af!” Mijn reactie was dan steeds: “Hoe kan iemand jouw je geloof afnemen? Laat je je dan zó sterk door anderen leiden of verleiden? Of kan het soms ook zo zijn, dat je zelf al enige (misschien verdrongen?) twijfel had en ben je bang om die twijfel toe te laten?”
“Maar”, is dan de reactie, “Maar wat blijft er dan nog óver?  Wat moet ik dan nog wél geloven?” Welnu, gemeente, dat is nu juist de crux van geloven: er móét niets! Je kunt niet op eisen, of meningen of ervaringen van anderen een eigen onwankelbaar, rotsvast geloof opbouwen. Alle geloven op gezag is een bewijs van de afwezigheid van eigen geloof. Als het geloof niet een doorlééfd geloof is, waarover hebben we het dan? Zelfs mensen die vastzitten aan Bijbelteksten kunnen van God los zijn. En andersom kunnen mensen die twijfels hebben – bij bijbelteksten of bij bepaalde dogma’s – die twijfelaars kunnen tóch dicht bij God staan.
Het gaat er niet om of je elke dag in de Bijbel leest, het gaat er niet om of je elke week op zondag wel naar de kerk gaat, het gaat er ook niet om of je regelmatig wel de handen vouwt en bidt. Zeker, die dingen kunnen je wel helpen bij je geloof, maar écht doorleefd wordt het allemaal pas, als je in je binnenste voelt en weet dat God ook dáár aanwezig is. Immers: Slechts als Hij ín je is, vind je hem allerwegen. En een boek van een ander kan een diep doorleefd geloof niet wegnemen. Of, zoals dominee Bähler zei: Bijbelse twijfels zullen jouw niet onrustig maken zolang je bij de vraag “Waar is dan je God?” níét de hand op de Bijbel legt, maar op je hart.” De Bijbel wordt immers te vaak gebruikt als een soort alibi: “Ja, maar, het staat toch in de Bijbel? Ja, maar God zei toch……” Nog es: Alle geloven op gezag is een bewijs van afwezigheid van eigen geloof. Ook geloven op gezag van de Bijbel of van je ouders of van wie dan ook.

Wij zongen zopas: “Kom, Geest van God, maak onze harten open, dat Christus bij ons woning vindt.” Dáár gaat het uiteindelijk om, die Christusgeest in onszelf; die Geest van God die vrede, troost en rust geeft. Hoe die Geest van God, die Christusgeest, in je kan komen? Heel eenvoudig door je er voor open te stellen – er voor open te staan. Dat kan prima door meditatie, op een bankje of lopend door het bos. Het kan door te leven in het hier en nu en je niet te laten leiden door angsten voor te toekomst, of door frustraties over het verleden. Het kan door gewoonweg open te staan voor het leven en voor de mensen om je heen. Het kan door de krampachtige controle over het leven los durven te laten en je bewust te richten op de goede dingen. Elk mens – klein of groot -heeft zo zijn of haar eigen weg te gaan om zich open te stellen. Het kan ook door het zingen van een lied: Geest van God, zo vol van liefde, vul mijn hart en ziel met jou.
Vraag: Waar is God?
Antwoord: Slechts als Hij ín je is, vind je hem allerwegen.

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
==========================================