Preek van de voorlaatste keer

Ned-vlag

Hier staat de voorlaatste nederlandstalige preek die ik gehouden heb. Soms staat de laatste preek (Preek van deze week) er erg kort op en hebben mensen geen gelegenheid gehad om hem te lezen. Nu gaat er dus minimaal nog een preek ‘overheen’ voordat deze wordt verwijderd.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================


Steggerda

17 oktober 2021

Jesaja 29: 18-24
Marcus 10:32-45

Eugen Drewermann, de bekende Duitse theoloog, schreef 2 vuistdikke boeken met toelichtingen op het Marcusevangelie. Het is een verfrissende kijk op het oudste van de vier evangeliën. Drewermann is, naast theoloog, ook psychoanalyticus en psychotherapeut; en die invalshoek komt dan ook vaak in zijn boeken tot uiting. Hij  heeft namelijk bij zijn preken – die de basis van de 2 boeken vormen – de mens op het oog, de lotgevallen en ‘strijd om verlossing’ van de mens. Het gaat er bij hem dus om wat de Bijbeltekst ons hier en nu te zeggen heeft. En die benadering – u hebt dat vast al eens gemerkt – spreekt mij enorm aan. Want dan zijn de bijbelteksten geen verhalen van alleen maar vroeger, geschreven in die tijd en in de omstandigheden van toen. Nee, dan is het de uitdaging om de teksten zó te lezen en uit te leggen dat wij – als lezers van die oude teksten – vandaag zélf worden aangesproken. We komen dan zélf in de verhalen van de bijbel voor.

Ook ontmaskert Drewermann in zijn boeken díé vormen van bijbeluitleg die een beeld van Jezus schetsen dat niet klopt. In ons tekstgedeelte bijvoorbeeld

spreekt Jezus over zijn naderende einde. Vaak zijn die woorden zodanig uitgelegd dat het erop moest lijken dat Jezus bewust – en dus vrijwillig – het lijden heeft opgezocht. Vooral de laatste zin uit het gelezen stuk uit Marcus zou wijzen op zo’n zelfkastijdende houding van Jezus. Daar staat: “Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.”
Zijn leven te geven – dat is een uitspraak die we wel vaker horen. Er wordt bijvoorbeeld bij een rouwplechtigheid wel eens gezegd: ”Die vrouw gaf haar hele leven aan de vredesbeweging.” Maar dat is wat anders dan dat die mevrouw dood wilde, of wilde lijden onder alle beschimpingen die ze moest ondergaan. Of: “Die man gaf zijn hele leven voor zijn gezin!” Dat houdt niet in dat de man dood wilde, maar dat hij alles over had voor het welzijn van zijn gezin.
Drewermann zegt daarom, als commentaar bij ons hoofdstuk, dat Jezus niét wílde lijden en sterven en al helemáál niet vrijwillig. In hoofdstuk 3 staat bijvoorbeeld dat Jezus zelfs vluchtte voor de Farizeeën.
Jezus wilde niet lijden, maar juist zoveel mogelijk geluk en vrijheid doorgeven aan anderen, vooral aan mensen die het moeilijk hadden. Maar daarbij nam hij wel bewúst het risico van vervolging en dood. Jezus koos dus niet bewust het lijden als weg, maar hij koos óók niet voor de lafheid van valse compromissen of allerlei aanpassingen van het evangelie – zijn goede boodschap – om zo het lijden te ontlopen. Hij wilde blijven wie hij was en wat hij was en daar stónd hij voor! Daartoe riep hij immers ook anderen op. Ook ons….. Jezus  geloofde in een betere wereld en daar wilde hij zich volledig voor inzetten – zijn leven voor geven. En hij aanvaarde – als consequentie daarvan – het lijden en de dood. Dus: niet omdat hij ‘koos’ voor het lijden, maar omdat hij niet wilde marchanderen met zijn goede boodschap. Hij accepteerde dat het lijden de consequentie was van zijn leven. Jezus was iemand met een sterke innerlijke vastberadenheid –een houding die hij ook graag bij zijn leerlingen zag. En dus ook bij ons.

Tussendoor: Jezus wilde zelf ook niet op een voetstuk gehesen worden. Niet voor niets kwam hij op een ezel Jeruzalem binnen. Eerder in hoofdstuk zegt Jezus: Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. Daarom heb ik er ook veel moeite mee dat de nieuwste Bijbelvertaling, de NBV21 die deze week is verschenen, het woordje ‘ik’ weer met een hoofdletter schrijft als het door Jezus wordt gezegd. De vorige vertaling had die hoofdletter niet, maar nu dus weer wel. Dat doet volgens mij geen recht aan de manier waarop Jezus wilde dat de mensen tegen hem aankeken.

Aan het begin van ons tekstgedeelte zegt Jezus: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd. Ze zullen de spot met hem drijven en hem bespuwen en hem geselen en doden, maar na drie dagen zal hij opstaan.” Deze aankondiging van zijn lijden in hoofdstuk 10

is al de derde opeenvolgende keer in het Marcusevangelie. Ook in hoofdstuk 8 en 9 sprak Jezus over zijn naderende einde. Het lijkt erop dat de evangelist Marcus ervoor heeft gekozen om de gebeurtenissen zó op te schrijven,  dat het leven van Jezus op een climax uitloopt. Want in hoofdstuk 11 volgt direct al de intocht in Jeruzalem, dat gezien moet worden als de inleiding op het lijdensverhaal; met een onafwendbare dood die Jezus dus met open ogen aanvaarde.

Jakobus en Johannes grijpen daarom nú hun kans, nu het nog kan. Ze praten niet met Jezus over zijn naderende einde, ze hebben geen pastoraal of bemoedigend en troostend woord voor hem, nee, ze claimen alvast de beste plaatsen links en rechts van Jezus als hij in de hemel is opgenomen. Ze zeggen: “Meester, wij willen dat u voor ons doet wat we u vragen.”
“We willen….” Zo hebben wij het vroeger niet geleerd. Ons werd voorgehouden dat we eerbiedig moesten zijn en met een zekere schroom onze vragen voor God neer konden leggen. Niks ‘willen’! Maar Jakobus en Johannes zijn nogal dwingend in hun gebed. Wij willen !!
Jezus gaat niet in op de dwingende manier waarop ze hem benaderen, maar vraagt wát ze nu precies willen. Dan zeggen ze. “Wanneer u heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van u zitten en de ander links.”
“Wanneer u heerst in uw glorie.” Hier komt direct al de aap uit de mouw. Jezus heeft aangekondigd dat hij eerst veel moet lijden en daarná zal worden opgenomen bij God, aan zijn rechterhand als het ware. Maar Jakobus en Johannes willen dat voorafgaande lijden ’t liefst overslaan en nú alvast een plaatsje reserveren links en rechts naast Jezus in de hemel. Jezus’ vraagt dan: “Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken?” En daarmee bedoelt hij natuurlijk: Kunnen jullie al het lijden doormaken dat ik moet doormaken? Daarmee maakt hij duidelijk dat het ‘heersen in glorie’, dat het ‘zitten aan Gods rechterhand’, dat dat onlosmakelijk verbonden is met het lijden.
Wie niet bereid is zijn nek uit te steken, omdat hij dan het risico loopt om neergesabeld te worden –
wie niet bereid is om op te komen voor rechtelozen, omdat hij daardoor bij de machthebbers een slechte naam krijgt –
wie niet bereid is anderen de helpende hand te bieden, omdat-ie daardoor als een slappeling kan worden beschouwd –

wie niet bereid is om iets van zijn rijkdom af te staan, omdat ie daardoor mogelijk minder in aanzien komt te staan bij anderen –

kortom: wie – om zo het risico op lijden uit te sluiten – niet bereid is goed te doen, die zal nooit met een voldaan gevoel kunnen terugkijken op zijn leven. Dát is eigenlijk wat Jezus aan Jacobus en Johannes voorhoudt.

De vraag van hen lijkt trouwens wel wat op het voorval in het vorige hoofdstuk van Marcus. Daar waren de leerlingen onderling al aan het bakkeleien over de vraag wie van hen de belangrijkste was. En hier vragen twee van hen het zich niet af, nee, ze gaan er al helemaal van uit dat zij de belangrijkste zullen zijn en daarom zouden mogen zitten aan Jezus’ linker- en rechterhand. Dáárom vraagt Jezus: “Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken?”
En met een zekere stelligheid antwoorden ze dan ‘Ja, dat kunnen wij.’ Dat is wel een erg gemakkelijk antwoord natuurlijk. Maar zo zouden wij ook kunnen reageren als Jezus het ons zou vragen. “Zou je me volgen ondanks tegenslagen?” “Zou je mijn weg gaan ook als je wist dat het jouw dood zou worden?” Als christenen zeggen we dan uiteraard “Ja”; dat hopen we tenminste. Maar als het nog theoretische vragen zijn, dan kun je gemakkelijk een sociaal wenselijk antwoord geven. Maar het probleem met dit soort kwesties is, dat wij niet weten hoe we zullen handelen als het er écht op aan komt.

Zo heb ik zelf bijvoorbeeld inmiddels heel wat voorbeelden gezien van de manier waarop mensen om kunnen gaan met de wetenschap dat ze binnenkort zullen sterven. Hoe rustig ze er onder blijven en hoe ze troostende woorden hebben voor degenen die eigenlijk misschien wel hén zouden moeten troosten.
En dan denk ik steeds: “Wat een prachtig voorbeeld van hoe het kan! Als ik ooit in zo’n situatie kom, dan wil ik graag zó handelen.” En ik neem me natuurlijk voor om dan óók zo sterk te zijn.
Maar de meesten van ons weten niet – ik ook niet – hoe het zal zijn als het er écht op aan komt, als we letterlijk de dood onder ogen moeten zien.
Wat trouwens van belang is in dit soort situaties, is dat wij ons realiseren dat onze reactie op onze eigen sterfelijkheid ook iets zegt over onze verhouding tot God.

Jakobus en Johannes: zij claimen een goddelijke beloning, waarschijnlijk vanuit de gedachte: wij zijn belangrijke volgers van Jezus, dus voor ons heeft hij wel een goed woordje over bij God. Maar hun houding getuigt van een vorm van onbescheiden egoïsme. En juist voor volgers van Jezus is dit eigenlijk ongehoord; ongepast. Op mensen van de kerk ligt als het ware een vergrootglas. Als die iets verkeerds doen dan praat iedereen daarover. En dan besmeuren ze daardoor de naam van Christus, de naam van God.
We kennen allemaal de grote verhalen over misbruik in de kerken; of de reportages over Amerikaanse teevee-dominees die persoonlijk enorm rijk werden van het geld dat de gulle gevers dachten te schenken aan goede doelen. En we kunnen het wel aanvullen met andere voorbeelden. We kennen de uitdrukking: macht corrumpeert. Zij die belangrijke posities innemen of denken in te nemen, menen al snel dat zij kunnen heersen over anderen, of hun machtspositie op een andere manier kunnen misbruiken.
Drewermann schreef daarover: “De kerk heeft meer wereldse trekken dan goed voor haar is en dan ze zou moeten hebben.”

Jezus is daar wars van. Hoewel hij veel volgelingen had, misbruikt hij zijn positie niet maar stelt hij zich bescheiden op. Op de vraag naar de goede plaatsen links en rechts van hem, had Jezus kunnen antwoorden met: “Nou, dan regelen we dat!” Zo reageren mensen die graag populair willen zijn. Zo reageren politici die uit zijn op eigen gewin: “Minder Marokkanen? Nou, dan regelen we dat!” Maar Jezus stelt zich juist erg bescheiden op en zegt: “Wie er rechts of links van mij zal zitten, dat kan ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie ze zijn bestemd.”

Er zijn veel christenen die Jezus en God door elkaar halen. Alsof ze aan elkaar gelijk zouden zijn. Jezus wordt goddelijk gemaakt. Maar Jezus maakt hier zelf duidelijk dat dat een misvatting is. In dit stukje zegt hij eigenlijk ook: “Je moet het mij niet vragen – niet tot mij bidden, maar tot God.” Als er iets aan Jezus goddelijk is, dan is dat juist zijn menselijkheid, want dát is zoon van God zijn: mens en menselijk zijn onder de mensen! Werkelijk groot zijn namelijk de mensen die er voor ánderen willen zijn. Zulke mensen willen niet heersen maar dienen; ze weigeren de macht. Zoals Jezus. Bij de intocht in Jerzualem willen de mensen hem als een wereldse koning binnenhalen, maar Jezus drijft daar de spot mee en komt op een ezel binnen. Hoezo ‘ik’ met een hoofdletter?

Jakobus en Johannes hebben andere intenties. Maar er waren óók discipelen die Jezus wél goed hadden begrepen. En zij zijn dan ook woedend op Jakobus en Johannes die de belangrijkste plekken alvast voor zichzelf reserveren. In de nieuwste vertaling zijn ze niet woedend, maar nemen z ehet Jakobus en Johannes kwalijk. Maar Jezus riep die anderen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
Deze opmerking van Jezus is als het ware een oproep tot navolging. Eigenlijk zegt Jezus hier: ik geef het goede voorbeeld; en het is nodig dat jullie dát voorbeeld navolgen. Wie zó doet, die werkt mee aan het Koninkrijk van God.

In Jesaja lazen we: “Nog slechts een korte tijd, dan zal de Libanon weer een boomgaard worden, een boomgaard die is als een woud. Op die dag zullen doven kunnen horen hoe uit een boek wordt voorgelezen, en blinden zullen met eigen ogen zien, bevrijd van duisternis en donkerheid. Dan zullen verdrukten de heer weer loven, zwakken juichen om de Heilige van Israël. Ieder die op onrecht zint, zal vergaan.”
Dit soort teksten waren Jezus op het lijf geschreven. Hij wilde niet lijden, maar juist zoveel mogelijk geluk en vrijheid doorgeven. Hij wilde ook niet heersen maar dienen.

En wij, gemeente? Wat willen wij? Bidden wij straks tot Jezus om een eersteklas plaatsje naast hem? Of willen wij ons dienstbaar opstellen voor het koninkrijk van God? Dat hoeft geen grote, bijna onmogelijke, opdracht te zijn. Bisschop Franciscus van Sales zei zo’n vierhonderd jaar geleden al: “Het ligt niet altijd op onze weg om grote dingen te doen. Maar ieder moment kunnen we kleine dingen geweldig goed doen, dat wil zeggen, met veel liefde.”

Jezus wilde niet lijden, maar hij was er wél van overtuigd dat zijn manier van leven bijna als vanzelf lijden met zich mee zou brengen. Die weg kunnen wij ook gaan, niet om bewust het lijden en sterven te zoeken, ook niet met het doel om uiteindelijk de beste plaatsen te bereiken, maar gewoon om eenvoudigweg goed te leven, om zovéél mogelijk geluk en vrijheid door te geven aan anderen, kortom om mee te bouwen aan het koninkrijk. En we kunnen soms wel denken met lege handen te staan, omdat wij mensen niet kunnen genezen van een hartkwaal of depressie; wij kunnen het niet helpen dat zij in de gevangenis zitten na een misdaad. Wij kunnen het niet helpen dat buitenlanders hier vaak na vele jaren integratie nog met de nek worden aangekeken. Nee, dat allemaal niet, maar wat we wel op z’n minst kunnen doen, dat is staan aan het bed van iemand die ernstig ziek is, een boswandeling maken met iemand die er even tussenuit moet, een brief schrijven of anderszins contact onderhouden met gevangenen, de helpende hand uitsteken als mensen moeizaam integreren.
Dan kunnen wij zeggen tegen mensen voor wie wij een naaste willen zijn: “Zo wil ik leven: eenvoudig en klein, met twee lege handen een koningskind zijn.” (Lied 1007)

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
==========================================