Preek van de voorlaatste keer

Ned-vlag

Hier staat de voorlaatste nederlandstalige preek die ik gehouden heb. Soms staat de laatste preek (Preek van deze week) er erg kort op en hebben mensen geen gelegenheid gehad om hem te lezen. Nu gaat er dus minimaal nog een preek ‘overheen’ voordat deze wordt verwijderd.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

12 mei 2019

Numeri 27: 12 – 23

Johannes 10: 22 – 39

Vandaag is het naast Moederdag ook Internationale Dag van de verpleging. Dat is op 12 mei omdat het de geboortedag is van Florence Nightingale; die 199 jaar geleden werd geboren in Florence. Ze groeide op in de betere kringen maar kreeg als tiener een ‘stem van God’ waardoor ze besloot niet het leven te leiden in de aristocratie, maar zich in te zetten voor zieken, armen en de strijd voor vrouwen.
Nightingale legde ook de basis voor de moderne verpleegkunde. In een verpleegsetting, of dat nu thuis is met thuiszorg of buurtzorg, of onderweg in de ambulance of ergens in een ziekenhuis of zorginstelling, waar dan ook: als patiënt geef je helemaal over aan de verpleegkundigen. We hebben in die mensen vaak een grenzeloos vertrouwen, ook als het gaat om zaken van leven of dood omdat je zekerheid hebt over de bedoelingen van het personeel. De meesten van hen zien het niet als ‘beroep’ maar ze zien het als ‘roeping’. Als patiënten dat vertrouwen en die zekerheid niet zouden hebben dan zouden ze meer angst kennen en waarschijnlijk ook meer pijn ervaren.

Vertrouwen en zekerheid, dat zijn ook de woorden waar het met name om gaat in de tekst uit Johannes. En eigenlijk hoort ook het woord ‘zien’ er ook nog bij. De gelezen Johannestekst, wordt direct voorafgegaan door het gedeelte over de Goede Herder. Johannes heeft de tekst zo geconstrueerd dat ook in óns gedeelte het beeld van de herder weer terugkomt. Of eigenlijk niet zozeer het beeld van de herder maar dat van de schapen, maar in de Bijbel zijn die onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Jezus loopt tijdens het feest van de Tempelwijding door de zuilengang van Salomo – in die diezelfde tempel. Daar komen dan de Joden om hem heen staan. Ze vertrouwen Jezus niet, dat is wel duidelijk; en dat is ook niet zo verwonderlijk, want ze kennen hem niet zo goed. Dat komt omdat ze niet bij de men­sen horen die dagelijks met Jezus optrekken; het zijn geen volgelingen van hem. Door die Joden worden Jezus en ook de volgelingen om hem heen daarom nogal wantrouwig bekeken, zo van: “Wat zijn dat voor mensen ? Waarom lopen ze achter Jezus aan ? En wat schieten ze daar mee op ? Wie is die Jezus en wat wil hij? En vooral: vormen ze een bedreiging voor ons, voor de machthebbers ?”

Dat is voor ons misschien wel wat herkenbaar. Dat wantrouwen. We komen een dergelijke houding ook tegen als mensen ergens nieuw binnenkomen. De eerste tijd zie je dat de nieuwe omgeving je wat opneemt en inschat: “Is dat er eentje van ons? Of is het een nieuwlichter? Kan die zich dan een beetje aan onze mores aanpassen? Kan ik wel mezelf blijven met deze persoon erbij?” En als het dan wat langer duurt voordat duidelijk is wat voor vlees men in de kuip heeft dan ontstaan er soms fricties. Iedereen vraagt zich af wat ‘die nieuwe’ nu eigenlijk wil en bedoelt. “We hadden het zo goed onder elkaar, maar nu hij of zij er bij is…..”
Welnu, zo’n houding hebben de Joden in ons stuk naar Jezus toe. De confrontatie tussen hen en Jezus heeft sterke emotionele kanten. Dat merk je aan de bijna wanhopige kreet waarmee de Joden Jezus oproepen om nu toch eindelijk eens een eind te maken aan de spanning:  “Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de messias bent, zeg het ons dan ronduit.” Ze willen graag duidelijkheid hebben, want ze kunnen Jezus maar moeilijk plaatsen.

Maar in het dan volgende gesprek komt naar voren dat Jezus hen al lang duidelijk heeft gemaakt wie en hoe hij is. Het probleem is alleen dat men dat niet ziet of niet wil zien. Jezus’ reactie is immers: “Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet.“ Met andere woorden: “Jullie zeggen duidelijkheid te willen, maar als ik die duidelijkheid dan geef, dan accepteer je het niet. Dát is dus het eigenlijke probleem: niet mijn ónduidelijkheid, maar jullie onwil om de door mij gegeven duidelijkheid te accepteren.”
En wat er dan volgt is een leerzaam stukje tekst. Jezus zegt: “Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij.”
Er wordt door de discipelen waarschijnlijk veel over Jezus verteld. Zijn volgelingen zijn enthousiast over zijn optreden en zijn ‘leer’. Ook Jezus zelf zegt wel het een en ander; ook over de relatie tussen hem en God. Maar in dit ene zinnetje – “Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij.” – daarin zegt Jezus eigenlijk: vergeet maar wat er over mij gezégd wordt, laat ook wat ik zélf tegen jullie zeg desnoods je ene oor in en het andere oor weer uit gaan, maar let toch vooral op mijn daden!” “Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij.”
Jezus lijkt hier wel op een lijsttrekker van een politieke partij die op een ongebruikelijke en vernieuwende manier bezig is. Jezus zegt hier eigenlijk: “Lees niet mijn – of ons – verkiezingsprogramma, want daarin kun je prachtige vergezichten neerzetten die je vervolgens niet kunt, of in elk geval niet gaat, waarmaken. Beluister niet alleen mijn speeches met aansprekende oneliners, want daarin kun je de mensen mooi naar de mond spreken. Nee, beoordeel me toch op wat ik de afgelopen jaren heb laten zien! Welke keuzes heb ik gemaakt en welke daden heb ik verricht?”
Alsof Jezus zeggen wil: “Kijk, mooie woorden spreken over het koninkrijk van God, ja, dat kan iedereen; maar kijk nu eens hoe ik daar de afgelopen jaren zélf aan gebouwd heb. Kijk toch eens naar wat ik heb betekend voor armen, zieken, treurenden.”

Maar – en dat was te verwachten – Jezus’ antwoord slaat niet aan! Tegen mensen die hun oordeel al klaar hebben, is argumenteren zinloos. Deze joden zijn het voorbeeld van mensen, die in een gesprek alleen spréken tegen de ander en alleen maar luisteren naar zichzélf. Dan wordt het een moeilijk gesprek, als de één een dialoog wil aangaan, en de ander alleen zijn eigen verhaal wil doen – een monoloog dus. Dat probeert Jezus dan ook duidelijk te maken en dus zegt hij: “U wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort. Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. Ik geef ze eeuwig leven.” De schapen die bij een kudde horen, die kennen hun herder, die hebben ervaren hoe hij hen beschermt,  hoe hij hen langs diepe afgronden leidt naar grazige weiden. Ze hebben geen zorgen meer, want de herder is met hen. Een zorgeloos leven – eeuwig leven is dat.
Eeuwig leven, dat is er op vertrouwen dat het goed komt. Eeuwig leven, dat is leven met God. En dan eens niet in de betekenis van ‘leven ná de dood’, nee, nú! Voluit leven in het hier en nu, dát is eeuwig leven.

En omdat Jezus weet dat hij met God leeft, zegt hij aan het eind van zijn reactie: “De Vader en ik zijn één.” Dat houdt in: de manier waarop ik leef en mensen voor-leef, dat lijkt mij in overeenstemming met hoe het leven door God bedoeld is. Maar ja, omdat hij te maken heeft met een soort fundamentalisten die precies weten hoe het zit en ook precies weten wie of wat God is, ja, soms zelfs Gód wel willen voorschrijven hoe hij zou moeten zijn – omdat Jezus met zúlke mensen te maken heeft – weten we dat dit tot een confrontatie zal leiden.

En inderdaad, we konden er op wachten: De mensen met wie hij staat te praten rapen stukken steen op omdat ze hem wilden stenigen. Het zijn van die mensen die uit frustratie handelen. Als ze het met argumenten en spreken niet kunnen winnen, dan wordt er forser geschut ingezet: harder praten of schreeuwen, gaan staan en dreigende taal uitslaan, soms gaan mensen uit onmacht de kamer uit, lopen ze weg; maar hier, hier worden zelfs stenen als argumenten gehanteerd.
Jezus moet perplex gestaan hebben. Deze houding is zó in tegenspraak met zijn eigen levensinstelling, dat hem dit helemaal verrast. Hij vraagt dan ook: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor jullie gedaan; waarom willen jullie me dan eigenlijk stenigen?’ Met andere woorden: Welke geest is er toch in jullie gevaren?
En dan komt de aap uit de mouw: ‘Voor een goede dáád zullen we u niet stenigen,’ antwoordden ze,  ‘maar wel voor godslastering(, want):  u bent een mens, maar u beweert dat u God bent!’ Ze hebben niet eens door dat zij hetzelfde doen, door te doen alsof juist zíj precies weten wat God wil, of doet, of denkt (als God al zou kunnen willen, denken en doen). En ook ik kom ze tegen, de mensen die zeggen: Ja, maar God zegt in de bijbel……en dan volgt er een passage die hun eigen standpunt onderbouwt. Of ze geven soms alleen maar hun eigen globale samenvatting ervan. Het kost vaak erg veel tijd, maar vooral ook veel energie, om dan duidelijk te maken dat dit hún interpretatie van de tekst is, en dat er vaak ergens anders in dezelfde Bijbel wel teksten staan die iets anders of zelfs bijna het tegenovergestelde kunnen beweren. Nee, zíj weten wat God bedoelt of wat zijn wil is.

Maar dan komt Jezus met een prachtvondst. Hij treft hen in het hart van hun verdediging, want hij citeert de Tora. Als zij zo graag hun eigen bronnen aanhalen, hun wet, hun Tora, nou dan worden ze op hun wenken bediend. Jezus zegt: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: Ik heb gezegd: “U bent goden”?’ Dit is een citaat uit Psalm 82, waar staat. “U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.” ‘Als de Schrift, die jullie zo graag als basis en richtsnoer gebruiken, als die schrift zegt dat wij allemaal goden zijn, waarom zou ik dan niet mogen zeggen dat ik Gods Zoon ben? Waarom zou je mij moeten stenigen als ik jullie eigen bronnen serieus neem?…….’

En opnieuw komt er van Jezus dan een oproep  om hem slechts op zijn dáden te beoordelen. “Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet, maar als dat wél het geval is en u gelooft me tóch niet, geloof dan tenminste wat ik doé.” Opnieuw de confrontatie met hun eigen wereld, een wereld waarin het aankomt op begaafdheid van redeneren, behendigheid om in discussies de winst binnen te halen maar wel een wereld vol onkunde als het er om gaat het geloof ook in dienend en praktisch handelen om te zetten. Dáár schort het dan vaak aan: Geen woorden maar daden, zegt Jezus dus.
Maar, en daar hebben we ze weer, tegenargumenten kunnen dergelijke mensen niet naar voren brengen; en zichzelf afvragen of wellicht de ander tóch gelijk zou kunnen hebben, dat komt niet bij hen op. Dus volgt de bekende reactie in dit soort situaties. Want zo staat er “En weer wilden ze hem grijpen”. Nog eens: als mensen niet op argumenten kunnen overtuigen en hun verlies dreigen te moeten nemen, dan slaan ze vaak terug door iemand te stenigen, of door hem te grijpen. Maar Jezus ontsnapte. Het staat er nogal kortaf: Maar Jezus ontsnapt. Als er met alle redelijke argumenten die er zijn, geen dialoog mogelijk is, nee, als men je dan zelfs te pakken wil nemen, dan kun je die mensen inderdaad maar beter de rug toekeren.

We hebben vanmorgen in het verhaal een aantal zaken kunnen horen van en over Jezus. Maar die aspecten zijn ook op onszelf van toepassing. We halen nog één keer drie kernpunten uit het verhaal naar voren.

  1. Geloven beperkt zich niet tot een geloofsléér die je met je mond belijdt. Juist niet! Geloven is, als het goed is, een kwestie van hart en handen. “Geloof dan tenminste wat ik doe!”, zei Jezus. Geen woorden, maar daden!
  2. In de Bijbel staat dat God ons goden heeft genoemd. Laten wij ons dan ook als liefhebbende goden opstellen in het leven. Dat wil zeggen: het beste voorhebben met mensen om ons heen.
  3. We hébben al het eeuwige leven, het is al begon­nen. De toekomst – het eeuwige leven – begint namelijk al bij mensen zodra ze Christus in zichzelf laten werken.

Jezus zegt het in hoofdstuk vijf van Johannes zo: “Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken,  hij is van de dood overgegaan naar het leven.” Het eeuwige leven is dus nu onder ons en in ons: wie zijn naaste liefheeft, heeft de dood al overwonnen. Als wij zó daadwerkelijk uit ons geloof leren te leven, zodat anderen ons kunnen herkennen aan wat wij doen, als wij leven volgens onze bestemming, als goden, zoals God ons noemt, dan volgen wij de Goede Herder en kunnen dan net als Hij goede herders zijn voor anderen.

Zoals ook Florence Nightingale – ‘de vrouw met de lamp’ – als het ware een goede herderin was voor zieke mensen. Zij zag de schepping als een voortgaande ontwikkeling, een evolutie. Haar overtuiging was dat we God bij die ontwikkeling moeten helpen, Dat zal misschien niet door anderen altijd in dank worden aanvaard; want hulp aan de minstbedeelden, vluchtelingen en zo, dat is soms tegen het zere been van anderen die denken dat zij daar minder van zullen worden. Sommigen zullen wellicht symbolisch de stenen tegen ons oppakken. Dan komt het er op aan te volharden in positief gedrag door te vertrouwen op de zekerheid van Gods liefde voor ons.
Dan spreekt God zelf door onze daden van vrede en genade.

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
==========================================

(c) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)