Preek van de voorlaatste keer

Ned-vlag

Hier staat de voorlaatste nederlandstalige preek die ik gehouden heb. Soms staat de laatste preek (Preek van deze week) er erg kort op en hebben mensen geen gelegenheid gehad om hem te lezen. Nu gaat er dus minimaal nog een preek ‘overheen’ voordat deze wordt verwijderd.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

Oldeberkoop, 1 juni2022

1 Samuël 17

Een man die tijdens zijn vakantie eens naar de kerk ging, zat in de banken, net als hier, en luisterde naar de voorganger. De preek kon hem blijkbaar niet zo boeien, hij kon in elk geval zijn gedachten en aandacht er niet bij houden, dus dwaalden zijn ogen af over de lege kerkbanken vóór hem. En, zoals dat wel in meer kerken het geval is, hadden kwajongens in de banken gekrast en er wat in geschreven. In het hout van twee banken voor hem stond gekerfd: God is dood  –  en in iets kleinere lettertjes eronder: Nietzsche.
Vaak is daar nogal afkeurend over gesproken door christenen – over die uitspraak van de filosoof Friedrich Nietzsche: God is dood. Nu is er heel veel over Nietzsche gezegd en geoordeeld door mensen die zijn teksten zelf helemaal niet hebben gelezen en daardoor is hem bepaald niet altijd recht gedaan. Zij weten bv. niet dat hij er achter zette: ‘en wij hebben hem gedood.’
Nietzsche, de filosoof met de hamer, schreef veel zinvolle gedachten. Het gaat te ver om hier op zijn filosofie in te gaan, maar duidelijk is wel: Veel mensen hebben het als een vloek beschouwd. “God is dood” – ze vonden het een vloek van een schreeuwlelijkerd.

Welnu, zo’n schreeuwerd komen we vandaag ook tegen in 1 Samuël 17. Veertig dagen lang vervloekt Goliat de God van Israël. Veertig is in de bijbel een beeld voor een lijdenstijd, voor een tijd van beproeving en daar lijkt het hier ook op. Altijd, ‘s morgens en ‘s avonds, net op het moment

waarop de Israëlieten hun offers aan God brengen, dan schreeuwt die grote Goliat vanaf de berg tegenover hen. Ze worden elke keer bang en laten dan ook de moed zakken. Zo’n lomperd, een reus van een kerel, het uithangbord van de Filistijnen die allemaal geen goed woord over hebben voor het volk Israël.
Maar het zijn vaak de kleine dingen die in de bijbel duidelijk maken wat er precies aan de hand is. Zo lezen we dat altijd vóór Goliat uit een schilddrager gaat. Met ál zijn bombarie en grootdoenerij, laat Goliat altijd iemand voorop gaan, iemand die zijn schild draagt, maar die ook zelf als schild wordt gebruikt. Die vangt de eerste klappen op, of de eerste speren. Wordt hier duidelijk dat Goliat stiekem eigenlijk zijn grote angst

wegmoffelt achter zijn grote mond?
Elke dag weer komt die hufter op de ene berg naar voren en elke keer weer is het het volk Israël dat zich op de andere berg terugtrekt en de afstand met de bedreiger weer vergroot. Zij geloven in hun God, de God van Israël; maar vertrouwen ze ook wel op hem; waarom zijn ze zo bang?
Eliab, de oudste broer van David was ook groot, maar ook hij is bang. En ook hij, Eliab, overschreeuwt zichzelf.
David vraagt naar wat er gaande is, elke dag weer op die berg, en krijgt dan te horen dat de Filistijn de gek heeft met het volk en hun God, dan vraagt David wat er gebeurt met de man die de strijd aangaat met die onbesneden Filistijn, dat wil zeggen met de man die buiten het verbond met God staat. De mensen maken hem duidelijk dat de koning zijn dochter geeft  aan de man die Goliat zal verslaan.
Eliab hoort dat zijn kleine broertje David met het volk in gesprek is over het verslaan van de Filistijn. Dan vraagt hij David “Wat wil je toch, wat heeft jou hierheen gebracht? En waar zijn die paar schapen, bij wie heb je die in de woestijn achtergelaten? Ben jij nu een goede herder? Jij bent alleen maar gekomen om naar de strijd te kijken. Wat wil je nu?” Hij, Eliab, is waarschijnlijk een paar koppen groter geweest dan David, maar hij wil David nóg kleiner maken: “Waar zijn die paar schapen waar je over moet hoeden?” Hij maakt zichzelf groter door David kleiner te maken.  Overschreeuwt ook hij – net als Goliat wellicht –  zijn eigen angst?  David geen goede herder? Wie moet hier een goede herder zijn? Saul, de koning, toch zeker voor zijn schapen – dat is het volk Israël? En Eliab en twee andere broers van David, zijn Saul gevolgd in de strijd. Maar hoeden zij hun schapen? Zij zijn zelf óók bang. David heeft zijn schapen nog achtergelaten bij een wachter. Saul en Eliab en consorten laten hun schapen – dat is dus: het volk – in twijfel en angst dagelijks offers brengen aan God terwijl Goliat diezelfde God bespot en beschimpt.

De mensen maken Saul uiteindelijk duidelijk dat er één is die het tegen de Filistijn wil opnemen: David! Dan laat Saul David bij zich komen. Saul, de koning van het volk die geen goed voorbeeld is. De man die samen met het volk elke dag twee keer vlucht als de schreeuwerd weer het offer-uur verstoort. Saul, die bang is voor de grote Goliat en zich vastklampt aan de strohalm David. Eerst probeert hij nog David van zijn plan of te krijgen: “Jij bent nog maar een kwajongen en die Goliat is een geboren strijder. Onmogelijk dat jij tegen hem op kunt.” Saul meet met zijn eigen maat. Hij is zélf bang voor Goliat.

En dan vertelt David zijn verhalen over wat hem bijna dagelijks overkomt met zijn schapen. De mensen hebben geen hoge dunk van hem, het herdertje, maar het vak van schaapherder vraagt meer dan de koning door heeft. “God die mij sterk genoeg maakte om leeuw en beer te verslaan, die God zal mij ook helpen deze reus tegen de vlakte te krijgen.” David maakt duidelijk dat een leeuw of een beer een vijand is van hemzelf, van David en van zijn schapen, maar dat Goliat een vijand is van God. David plaatst Goliat in het rijtje ‘leeuw en beer’ en ziet hem dus meer als roofdier dan als mens. En praten over een beloning doet David al helemaal niet. Het gaat immers volgens David niet om hemzelf maar om God!
En daarmee is het niet zozeer het verhaal van David en Goliat maar naar mijn mening meer nog het verhaal van David en Saul. Saul, de koning, krijgt hier een lesje koningschap van de herder David. En niet alleen een lesje koningschap, ook een lesje geloven in en vertrouwen op God. Saul laat het afweten, maar de kleine herder weet dat God het werk dat hij begonnen is, niet loslaat! Goliat bralt uit angst; David praat rustig en vol vertrouwen op Saul in: “Laat mij nu maar – het komt allemaal wel goed.”

Hadden wij het aan et begin van de dienst over een ongelijke strijd? Nou, dat is het: een ongelijke strijd. David heeft namelijk al gewonnen voordat de strijd begonnen is. Saul moet als eerste, maar dan figuurlijk, door de knieën voor David. Hij smijt de handdoek in de ring; hij geeft het op en laat David gaan. Maar Saul zadelt David eerst nog wel met zijn eigen oplossing op. David krijgt Sauls wapenrok aan en krijgt het zware zwaard van Saul en Saul zet hem een zware koperen helm op het hoofd. Saul is uit op machtsevenwicht en wil van David een kleine Goliat maken. Daarmee staat Saul in wezen nog steeds niet achter David, maar achter Goliat en zíjn oplossing.
David probeert overeind te komen maar het lukt hem amper. Hij trekt de wapenrok van Saul weer uit en zet de koperen helm weer af. “Dit is dan misschien jouw oplossing, de mijne is het niet. Ik doe het op mijn eigen manier, een manier die bij mij past!” David zoekt dan de stilte van een beek en haalt daar vijf gladde kiezelstenen.
Vijf, waarom vijf? De Israëlieten, die dit verhaal horen, hebben direct door dat dit slaat op de Thora, de 5 boeken van Mozes. Ook uit dat kleine gegeven van die vijf steentjes, blijkt het grote godsvertrouwen van David. De onbesneden Filistijn valt buiten Gods verbond; David voelt zich er juist helemaal in opgenomen. Duidelijk wordt nu ook dat we het verhaal niet moeten lezen als zou God de zwakte van David hebben verholpen, nee, het blijkt dat God David juist helpt om gebruik te maken van zijn eigen sterke kanten. En die sterkte zit ‘m in zijn godsvertrouwen én in zijn herderskracht. Zoals altijd heeft David zijn slinger bij zich. De stenen bergt hij op in zijn herderstas. Zo gaat hij naar de grote Filistijn.

En dan komen we bij het dal, het Terebintendal; laten we zeggen het dal met de eikenbomen. Het dal is ingesloten door twee bergen. Op de ene staat het leger van de Filistijnen met die hufter van een Goliat. Op de andere berg zien we het volk van Israël. Zij hebben hun God; maar toch beven en trillen ze.
Het dal tussen die bergen in, dat staat voor het onzekere, voor het onduidelijke: wat kunnen we verwachten? Welke kant gaat het op? Worden wij overmand door twijfels en angsten, of kunnen we de strijd aangaan en er als overwinnaar uit komen? Zou dit het dal geweest zijn waarvan David in psalm 23 gedicht heeft: Al grijnst de dood mij toe in diepe dalen, U zorgt ervoor dat ik niet zal verdwalen. Ik ken geen angst, want U blijft aan mijn zijde. Waar er gevaar dreigt, komt u tussenbeide. Is dat ‘t Terebintendal geweest?

Staan ook wij niet vaak in dat dal tussen die bergen in? Huist ook in ons wellicht vaak een ongedurigheid? Aan de ene kant zijn we Goliat: wij geloven in alles, behalve in God; wij vertrouwen op alles, maar niet op zijn kracht. Wij dagen – net als Goliat – de Davids in ons leven uit. Wij walsen met enige regelmaat over gevoelens van anderen heen;  en toch, achter die grootspraak schuilt vaak ook onze onzekerheid, angst, gebrek aan zelfvertrouwen – wij overschreeuwen onszelf.
Op andere momenten staan wij op de berg er tegenover en dan voelen wij ons als de kleine David zoals die door Eliab, zijn oudste broer, bekeken werd, en wij zeggen tegen onszelf: “Wat wil je nou, klein kereltje; je kunt toch nooit opboksen tegen de grote wereld. Wat heb je nu eigenlijk in te brengen? Een slingertje met een paar stenen – ach, wat stelt dat nou voor? Kijk toch eens om je heen; kijk wat de tegenstanders hebben! Zij hebben een grote mond, zijn zwaarbewapend en zijn veel sterker dan jij; zij zien op jou neer.”
En hoe vaak lukt het ons dán om niét zoals et volk Israël te reageren, maar als David, door uit te gaan van onze eigen kracht met hulp van God? Wij kunnen onze grote broers, ja zelfs de koning, nog wat leren! Wij hebben óók een leven achter ons; ook wij hebben levenservaring. Het telt voor veel mensen dan misschien niet –  een herdersleven – wat is dat nu? – maar wij hebben wel geleerd hoe we in dat leven stand kunnen houden. Op onze eigen manier. Dát wel!  Wij moeten ons niét laten opzadelen met oplossingen van anderen. Dan wordt het leven te zwaar en kunnen we er niet mee uit de voeten, zoals David het niet kon met de strijdkleren van Saul.
Daarom moeten wij leren ontdekken wat onze kiezelsteentjes zijn. Wij moeten zo nu en dan de rust van het stille water, de beek, opzoeken om in die rust te ontdekken wat bij ons past. Zoals David ook in zijn psalm schreef:  “Hij wil mij naar verfrissend water leiden.“  Daar, in die rust van de beek, moeten wij ontdekken waarmee wij ons kunnen wapenen in de wereld.  Als wij ons goed voelen bij onze eigen oplossing dan moeten we die ook inbrengen en moeten we niet een trucje van een ander overnemen.
De mensen om David heen zullen gedacht hebben dat het hem in de bol gestegen was. Maar David deed juist wat hij gewend was te doen en was dáárom gek genoeg om de strijd aan te gaan met de grote reus.

Vervolgens staat er dat Goliat zich afvraagt of hij een hond is, dat David hem met een stok, zijn herdersstaf, tegemoet komt. En wat dan zo mooi is: David ontkent dat niet. Het lijkt er op dat David, door er niet op in te gaan, zeggen wil: Wat je zegt, Goliat, dat ben je zelf. Hij zegt alleen dat Goliat hem met zwaard en speer tegemoet komt maar dat hij, David, in vertrouwen op zijn God – de God die door Goliat wordt vervloekt –  de strijd zal aangaan en dat God Goliat in zijn macht zal geven. “Wij hebben geen zwaard nodig; God hééft je al in onze macht gegeven.” Dat is wat David zegt. Daar spreekt vertrouwen uit. En dat vertrouwen is juist de sterkte van David  waar God hem bij helpt om dat te gebruiken. Het lijkt er op dat David zeggen wil:  “Als God voor ons is wie zal dan nog tegen ons zijn?”

Op Goliat maakt dit allemaal natuurlijk geen enkele indruk. Hij kijkt vanuit de verte neer op dit kleine opdondertje: “Kom maar es hier, ventje, dan zal ik jouw vlees gebruiken als voer voor de vogels en de velddieren!” Goliat slingert dreigementen richting David, niet wetende dat David met zijn slinger de aanval zal openen. David heeft geen grote woorden en dreigementen nodig. Met een gerichte slingerbeweging is het eerste steentje direct raak! Hoe is het mogelijk zouden wij zeggen. De grote reus heeft zware pantsers en helmen en beenbeschermers. Maar hij vergeet op de kleine dingen te letten. Goliat heeft het vizier van zijn helm niet naar beneden gedaan en dat wordt zijn ongeluk.

Overkomt ons dat ook niet vaak? Dat we ons wapenen en verzekeren tegen van alles en nog wat maar dat er dan toch een kleine opening blijkt te zijn waarin wij geraakt kunnen worden? Wij denken alles in de hand te hebben. Wij hebben een goeie baan; wij zijn gezond en wij kunnen het goed vinden met allerlei mensen om ons heen. En dan: het bedrijf gaat failliet – en wij raken onze baan kwijt;  een klein knobbeltje in de borst – en wij zijn totaal uit het veld geslagen en denken als snel na over de vraag ‘hoe lang nog?’;  er is een erfenis – en er ontstaat ruzie binnen de familie. Wij kunnen nóg zo groot zijn of ons groot voordoen, we blijven toch enorm kwetsbaar.

Het is de kracht van David dat hij dat kwetsbare gedeelte van Goliat weet te vinden en te raken. Waar een heel volk al veertig dagen bang voor is, daar ziet David in één oogopslag waar de grote reus geraakt moet worden en in zijn macht komt. Ook hier weer: God helpt David niet zijn zwakte te overwinnen maar helpt hem juist zijn sterke punten te gebruiken.

In dit verhaal worden maar een paar verzen besteed aan het kleinkrijgen van Goliat. Het grootste gedeelte gaat over de manier waarop David met alles omgaat. Hij wordt eerst als knecht van zijn vader ingezet om zijn broers eten te brengen. Hij laat hier en daar vallen dat hij wel wat ziet in een strijd met die onbesneden Filistijn maar slaat zichzelf er niet voor op de borst. Hij laat zich niet verleiden om van zichzelf een kleine Goliat te maken, maar hij blijft bij zichzelf en bij zijn eigen oplossingen. En als Goliat overeind komt en David tegemoet treedt dan blijft David niet bang staan maar loopt hij op Goliat af – hij verstijft niet van angst zoals het volk dat al veertig dagen doet – nee, David vertrouwt op zijn God en maakt zijn naam groot. Dat zijn eigenschappen van een groot man – een reusachtige kerel – zo eentje mag later koning worden.

Dan tenslotte nog even terug naar het begin van de overdenking, die vakantieganger die in de kerkbanken zat en die de regel van Nietzsche had gelezen. Die man kwam een enkele jaren later weer in hetzelfde dorp en ging ook toen weer naar de kerk. Hij zat in de buurt van de plaats waar hij eerder ook had gezeten. Toen hij na de dienst er nog eens langs liep om er nog even naar te kijken, toen bleek dat er wat bij geschreven was. Eerst stond er nog, in inmiddels wat vaag geworden letters: God is dood, met daaronder in wat kleinere letters: Nietzsche. Maar dááronder stond nu gekerfd ‘Nietzsche is dood’ en daaronder in grote letters: “GOD”.
En zo is het. De mensen met grote monden hebben uiteindelijk niet het laatste woord. De filosoof met de hamer niet, maar zeker de Goliats in de wereld niet. Ook zulke groten zijn tóch vergankelijk. Dat geldt niet voor de goede God, die was en is en blijven zal. Wie zich alleen op God verlaat, weet dat hij altijd met ons gaat.

(C) Jan Koops

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.
==========================================