Preek 500 jaar Ooststellingwerf

Op zondagmiddag 10 september was er in de Dorpskerk in Oosterwolde een jubileumviering in het kader van 500 jaar Ooststellingwerf.
Het thema was Reizen in de tijd.
De Bijbelgedeelten kwamen uit Prediker 3: 1-15 (Statenvertaling) en Matteus 6: 24-34 (Naardense Bijbel).
De overdenking, of zo je wilt, de ‘preek’ was traditiegetrouw in drie delen en volgt hieronder

Tijd.

Ter voorbereiding op deze viering heb ik me enigszins ingelezen in het begrip ‘tijd’. Deze dienst is immers georganiseerd in het kader van een jubileum: 500 jaar Ooststellingwerf. En dan ontkom je niet aan een bepaalde vorm van terugblik en wellicht moet je dan ook een blik op de toekomst werpen. Maar dan moet je je wel realiseren wat die ‘tijd’ inhoudt. En wat verleden en toekomst zijn.

De kerkvader Augustinus zei daarover: “Er is geen verleden en er is geen toekomst. Er is wel de tegenwoordige herinnering aan het verleden en de tegenwoordige verwachting van het toekomstige.” Maar die herinneringen en verwachtingen zijn subjectief, ze spelen zich allemaal in onszelf af. Wij hebben allemaal persóónlijke herinneringen aan het verleden en persoonlijke verwachtingen van de toekomst. En die kunnen enorm verschillen van hoe anderen dat verleden ervaren of hoe ze de toekomst zien.

Zo gaat het ook met de afgelopen 500 jaar. Dat is een afgemeten periode.

Maar de tijd als zodanig, hoe zit dat? Is die lineair, m.a.w. heeft de tijd een begin en een eind? Sommigen verwijzen naar de schepping en zeggen: toen begon óók pas de tijd. Voor de ene is dat ruim 6000 jaar geleden, anderen houden het op 13,7 miljard jaar; en nieuw wetenschappelijk onderzoek komt op een nog hogere ouderdom.

Maar …. begon met de schepping, of begon met de oerknal of bij welk begin ook maar, begon toen ook pas de tijd? En komt er dan ook eens een einde aan de tijd? Zou, als de aarde ooit op een of andere manier ten onder gaat en mogelijk het hele universum, zou dan ook de tijd eindigen? Nee, zeggen bepaalde filosofen, de tijd heeft geen begin en geen einde; ze is niet lineair, maar circulair, ze is rond. Dat lijkt wel wat op een veelgebruikte term dat de geschiedenis zich herhaalt.

Dat herhalen lijkt ook het geval te zijn met de afgelopen 500 jaar. Katholieken zullen de gebeurtenissen van 500 jaar geleden anders duiden dan protestanten.  Toenmalige priesters moesten immers vluchten of legden hun katholieke veren af, stapten over en zetten hun werk voort als predikant in de kerk van ná de reformatie. Prachtige beelden werden tijdens de beeldenstorm vernield  en het werd katholieken verboden om kerkdiensten te organiseren.

En nu?  Binnen de Protestantse Kerk in Nederland wordt al gezinspeeld op een eigen protestantse bisschop; predikanten organiseren voor gemeenteleden bezoeken aan kloosters of brengen er zelf jaarlijks een week in door; velen laten zich inspireren door katholieke schrijvers als Eugen Drewermann,  en Anselm Grün. Ook binnen protestantse kerken branden tegenwoordig kaarsen en is er veel in de liturgie dat van katholieken is overgenomen.

Maar ook buiten de kerk zien we dit fenomeen van de cyclische tijd: er was de opdeling van Stellingwerf in twee grietenijen, de latere gemeenten; maar met enige regelmaat wordt de laatste tijd gesproken over het weer samen doen gaan van Oost- en Weststellingwerf. Vroeger hoorden de Stellingwerven bij Drenthe, in 1328 stapten ze over naar de Friezen, maar de afgelopen decennia zijn er vaak perikelen geweest tussen Friezen en Stellingwervers. En hoe ludiek ook: er zit een serieuze ondertoon bij de oprichting van de Vrije natie der Stellingwerven. De geschiedenis herhaalt zich. De tijd is rond.

In de afgelopen 500 jaar er is veel gebeurd, erg veel. Van wel zo’n 90% van de werkenden in het boerenbedrijf kelderde dat naar tegenwoordig misschien 10% of nog minder. Van wat eenvoudige hulpmiddelen en letterlijke paardenkrachten zijn we via de industriële revolutie overgestapt in het digitale-tijdperk met algoritmen, robots en kunstmatige intelligentie. En ondanks het gegeven dat we tegenwoordig alles vele malen sneller kunnen dan vroeger: we zijn en hebben het drukker en hebben meer haast dan onze voorouders.

En ook kerkelijk veranderde er het een en ander: van een eenzijdige invulling van de dienst door de priester of voorganger – altijd een man – is geen sprake meer:  de kerkgangers zingen liederen die worden begeleid door instrumenten, de bijbelvertalingen volgen elkaar snel op en jaarlijks lijkt er wel een vernieuwend liedboek uit te komen.

En het ambt wordt in steeds meer kerken voor vrouwen opengesteld. Dat is mooi verbeeld door de beide figuren hiervóór – twee predikanten m/v. Wat dat betreft is er trouwens nog een hele weg te gaan, maar het begin is er. Zo heeft blijkbaar alles zijn tijd.

Deel 2

Alles heeft zijn tijd.
Alle voorbeelden die Prediker in het gelezen gedeelte noemt bevatten tegenstellingen die niet zonder elkaar kunnen bestaan. Sterven kan niet als er niet eerst sprake is geweest van geboorte. Afbreken kan alleen maar als er eerst iets werd opgebouwd. Zoeken doe je pas als je eerst iets had, maar iets verloren hebt. Herstellen nadat iets is gescheurd. Zwijgen doe je nadat je gesproken hebt. Rooien als er eerst iets is geplant. Je rouwt pas om iets als je er eerst om gedanst hebt, het hebt liefgehad. Met andere woorden: er zit een niet vermijdbare logica in deze cycli aan gebeurtenissen. De boeddhistische leer zegt daarom ook dat je je niet moet hechten, niet aan mensen en ook zeker niet aan spullen, want dat heeft per definitie ‘lijden’ tot gevolg. Er is dan inderdaad vaak sprake een tijd van lachen én een tijd van huilen.

Daarom ook: Welk voordeel heeft de mens dan van alles dat hij met zijn gezwoeg tot stand brengt? De negatief geladen zaken als sterven, doden, verliezen, breken en scheuren en dergelijke, die zijn nu eenmaal onlosmakelijk een onderdeel van ons bestaan:  ze horen bij het leven. In de woorden van Prediker: “ze worden ons door God opgelegd. God heeft alles wat er is de goede plaats in de tijd gegeven.”

En dat werk van God kunnen wij niet van begin tot eind doorgronden. andersom wel: God doorgrond wel ónze inspanningen. In die zin kunnen wij ons ten aanzien van onze daden, onze inspanningen, geruststellen met de woorden van Gerard Reve: “het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.”

Daarom stelde Prediker ook het volgende vast: dat er voor de mens niets goeds is weggelegd,  behalve “vrolijk te zijn en van het leven te genieten”.

Alles is zinloos, zei Prediker ook, maar je kunt wel het leven erváren als zinvol door het te omarmen en het leven zelf te beamen.  Vrolijk van het leven genieten, want daarin woont God. Dat wordt tegenwoordig wel benoemd als leven in het ‘nu’. Genieten van het moment. Want dat is de ‘ware’ tijd. Dus niet terugblikken of vooruitkijken. En je zeker niet haasten in het leven. Dat leidt alleen maar af van het genieten.  De Amerikaanse Nobelprijswinnaar William Faulkner had daar een mooie uitdrukking voor: “De ware tijd komt pas tot leven als de klokken zwijgen.“ Leven in het NU.

Alles heeft zijn tijd. Dat geldt voor ons als individuen,  maar ook voor instituten, organisaties en verschijnselen. Er was een tijd voor kerkscheuringen, maar er is ook een tijd van oecumene, samengaan en fuseren. Er was een tijd van kerken bouwen en instandhouden, maar er is ook een tijd waarin kerkgebouwen aan de eredienst worden onttrokken en worden verkocht. Er was een tijd waarin het orgel de zang begeleidde, maar ook een tijd waarin dat wordt overgenomen door keyboards, bands en zelfs door youtube-filmpjes.

Daar zouden we verdrietig om kunnen worden, om het verlies van het eigene, om sluiting van kerkgebouwen, om het verdwijnen van het orgel uit de erediensten. Er ontstaat dan zoiets als fantoompijn. Zoals mensen pijn kunnen voelen aan hun geamputeerde been of hand of voet, zo kunnen wij pijn hebben van zaken die er vroeger nog wel waren maar die verloren gingen. Want de herinnering leeft wel dóór.

Het risico is dan dat we aan dat verleden blijven vastzitten, er aan hechten. Het tegendeel is trouwens ook waar: vernieuwing – ook in de kerk – wordt door autonomen – dat zijn mensen die alleen aan zichzelf denken – die vernieuwing wordt soms zo rigoureus ingezet, dat het geen rekening houdt met mensen die dat niet kunnen bijbenen.

Het zou beter zijn om beide niet te doen, niet vastzitten in het verleden en niet doldriest vernieuwingen doorvoeren, maar op de goede zaken van het verleden doorborduren.

Romantici klampen zich vast aan een niet langer bestaand verleden en kwijnen weg. Autonomen trachten een nieuwe wereld te scheppen, zonder het weerloze en de weerlozen te respecteren.

Aanhouders, die hebben we nodig! Aanhouders zijn mensen die bouwen aan een toekomst,  op de schouders van het verleden; ze verloochenen hun afkomst niet, maar gaan in zekere zin wel met de stroom mee.

Niet in één keer het hele vertrouwde verleden wegsaneren dus, maar het gebruiken als basis voor vernieuwingen. Dán vormt alles wat afsterft juist de humus, groeimiddel voor nieuwe bloei. In zekere zin voldoet dat ook aan de laatste regels  uit het gedeelte van Prediker: Wat er is, was er reeds lang; wat zal komen is er altijd geweest. God haalt wat voorbij is altijd weer terug.

Met andere woorden: Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voorzichzelf.

Deel 3

Niemand kan twee heren dienen.
Zo begint het gedeelte in Matteus. En uit het vervolg lijken die twee heren wel als volgt getypeerd te kunnen worden: De ene is genieter van het leven en de ander maakt zich zorgen en is bang voor de dood. Beide kun je dus niet tegelijkertijd liefhebben. Je kunt beide niet in één persoon verenigen. Als genieter houd je je liever niét bezig met zorgen en afscheid nemen. En als hypochonder, iemand die zich zorgen maakt over van alles en nog wat en dagelijks zijn dood onder ogen ziet, als hypochonder heb je geen oog voor de mooie dingen die het leven biedt en waar de genieter juist wel volop plezier aan beleeft.

Jezus is duidelijk: het zorgen maken is eigenlijk het dienen van de mammon. Genieten is: God dienen.

Kijk naar de vogels, ze zaaien niet, ze oogsten niet en ze hebben ook geen voorraadschuren. Het is God die hen voedt.  En wij zijn toch meer waard dan vogels…? En we maken ons zorgen over kleding: wat zal ik aantrekken?  Ik moet niet hetzelfde aan als vorige keer dat wij die mensen ontmoetten! En kán deze kleding nog wel, of is het uit de mode? Kijk naar de lelies, ze werken en weven niet, toch ging de grote rijke exorbitante Salomo niet gekleed als één van die lelies.

Niemand kan een uur aan zijn leven toevoegen door zich zorgen te maken. Mensen maken zich vooral zorgen om hun onvermijdbare sterven. De dichter J.C. Bloem beschreef  die bezorgdheid als volgt: “Denkend aan de dood kan ik niet slapen. En niet slapend denk ik aan de dood.” Hier zien we iemand voor ons die onrustig is over de toekomst, de gedachten aan de dood ontnemen hem elke levenslust. Veel mensen kennen de vervolgregels trouwens  niet: “Denkend aan de dood kan ik niet slapen. En niet slapend denk ik aan de dood. En het leven vliedt gelijk het vlood. En elk zijn is tot niet zijn geschapen.”

Met andere woorden: terwijl wij ons zorgen maken over de dood, gaat het leven gewoon door zoals altijd; het vliedt gelijk het vlood. Maar door al onze zorgen lukt het niet meer om echt te leven. Het ‘zijn’, het leven, kun je dan typeren als een niet-zijn.

Jezus zegt in dit hoofdstuk niet dat we alles maar op z’n beloop moeten laten, maar wel dat we ons leven niet moeten laten beheersen door onze zorg voor het eigen voortbestaan. Veel mensen interpreteren dit hoofdstuk als volgt: “Je hoeft je nergens zorgen om te maken of druk om te zijn: alles komt goed; daar zorgt God wel voor.”

Ik denk dat dit een misvatting is. Niet voor niets staat in vers 33: “Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid”, dán pas komt de rest vanzelf, dat is: van God. Dat is dus wel een voorwaarde: het koninkrijk van God zoeken en zijn gerechtigheid. Etty Hillesum schreef in haar dagboek:

“Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan tevoren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niét kunt helpen, maar dat wij jóu moeten helpen, en door dat laatste helpen wij onszelf.”

En daar ontbreekt het nog wel eens aan in onze wereld. Misschien hebben we daar wel een dagtaak aan:  aan het helpen van God en zodoende het werken aan Gods koninkrijk. Dat is wellicht ook de betekenis van de laatste woorden uit dit gedeelte:  elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last.  Elke dag immers staan we voor verschillende keuzes. En het komt er dan op aan om bij die keuzes die we hebben,  steeds de afweging te maken: is dit dienend aan het koninkrijk? Leidt de keuze die ik maak tot gerechtigheid?

Vaak wordt dan gedacht dat het gaat om activiteiten, iets dat je doét. Maar ook iets niét-doen of bewust nalaten, iets laten gebeuren is een eigen keuze. En ook daarbij – bij dat laten gebeuren – moeten we ons afvragen: leidt dit achteroverleunen tot gerechtigheid? Of moet ik nu juist iets doen? Werk ik door beide – mijn doen en mijn laten – wel mee aan het koninkrijk?

We moeten – zo las ik ergens – we moeten God benaderen  als de werkelijkheid die we – indirect – ontmoeten door een diepe en toegewijde liefde voor de wereld zelf!

Als we bewust leven in het nu, genietend, dát wel, maar ook bewust keuzes maken in ons doen én in ons laten met het oog op het koninkrijk en de gerechtigheid, op liefde dus, dán mogen we er ook op vertrouwen dat het goed komt. Dan hoeven we ons geen zorgen te maken over eten en drinken en kleding of voor de dag van morgen.

500 jaar – een periode waarin veel is gebeurd, zowel in Ooststellingwerf als ook in de wijde wereld om ons heen, maar op de traditie van onze voorouders hebben wij voortgeborduurd en we mogen er ook op vertrouwen dat óók onze inzet niet voor niets was. Want zoals de tijd geborgen is in Gods hand, zo zijn wij in haar handpalm geschreven.

(Bij de voorbereiding op het thema ‘tijd’ heb ik inspiratie geput uit de boeken ‘Over het verstrijken van de tijd’ van Paul van Tongeren en ‘Stil de tijd’ van Joke Hermsen.)