Preek van de voorlaatste keer

Kerk Westergeest

Westergeest, 17-5-2026
Ezechiël 39: 21 – 29 en Johannes 17: 1 – 13

Er zijn van die momenten waarop mensen anders gaan praten. Niet meer oppervlakkig, niet meer vluchtig, maar met woorden die dieper komen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer iemand ernstig ziek is, of wanneer iemand afscheid moet nemen. Dan verdwijnen de kleine, onbenullige dingen naar de achtergrond en gaat het ineens over wat werkelijk van waarde is.

Zo klinkt ook Johannes 17. Het is alsof Jezus er, al biddend, hardop denkt. Hij spreekt niet tot de mensen om Hem heen, maar tot God. En juist daardoor luisteren wij als het ware mee naar wat Hem werkelijk bezighoudt.
Het is een bijzonder moment. Jezus weet dat zijn weg naar het kruis dichtbij is. Hij weet dat zijn leerlingen straks zonder Hem verder moeten. En daarom bidt Hij. Niet om succes. Niet om macht. Niet om bescherming tegen alles wat moeilijk is. Maar om verbondenheid. Zodat zij één zijn…..

Vaak zoeken wij mensen zekerheid op een andere manier. We zoeken controle. We willen weten waar we aan toe zijn. We willen risico’s uitsluiten en meten, berekenen en verzekeren bijna alles. En tegelijk voelen veel mensen zich juist onzekerder dan ooit.
We leven in een tijd waarin ontzettend veel informatie beschikbaar is, maar waarin veel mensen toch de weg kwijt zijn. Een tijd waarin mensen voortdurend online verbonden zijn, maar zich tegelijk vaak eenzaam voelen. Een tijd waarin alles sneller lijkt te gaan, maar waarin veel mensen het gevoel hebben dat ze zichzelf, en de wereld om hen heen, niet meer kunnen bijhouden.

Misschien is dat wel één van de grote vragen van deze tijd: hoe blijf je mens? Hoe blijf je, in een wereld die voortdurend aan je trekt, verbonden met jezelf, met anderen, en misschien zelfs met God?

Jezus bidt in dit hoofdstuk niét dat zijn leerlingen uit de wereld worden weggehaald. Integendeel. Hij weet dat ze midden in die wereld zullen blijven staan. Een wereld vol spanning, vol onzekerheid, vol conflicten.
En dat herkennen wij. Wie het nieuws volgt, kan soms moedeloos worden.  Oorlogen lijken eindeloos door te gaan. In Oekraïne, in Gaza, in Soedan, en op zoveel andere plekken. Er zijn beelden die mensen nauwelijks nog kunnen verdragen. Kinderen onder het puin. Mensen op de vlucht. Families die alles kwijtraken.

Tegelijk zijn er ook dichterbij allerlei zorgen. Mensen maken zich zorgen over de betaalbaarheid van het leven, over de toekomst van hun kinderen, over het klimaat, en over de toenemende polarisatie in de samenleving.

En wij hebben allemaal natuurlijk zo ook onze persoonlijke zorgen. Een lichaam dat niet meer meewerkt. Een relatie die stukloopt. Een kind dat vastloopt. Eenzaamheid. Rouw. De stilte in huis nadat iemand is overleden.
Juist in zó’n wereld spreekt Jezus de woorden die we lazen in Johannes 17. Dat maakt ze misschien wel actueler dan ooit.

Deze zondag wordt dus ook wel Wezenzondag genoemd. Jezus is verdwenen uit het zicht, maar de Geest is nog niet gekomen. De leerlingen leven in een soort tussentijd. Ze kunnen niet meer terug naar hoe het was, maar weten ook nog niet goed wat er komen gaat.

Dat gevoel herkennen veel mensen. Soms kom je in een periode terecht waarin oude zekerheden weggevallen zijn, terwijl nieuwe richting zich nog niet aandient. Na een overlijden bijvoorbeeld, na het verlies van werk, na een scheiding, of wanneer het leven ineens een heel andere wending neemt door ziekte of ouderdom. Juist die tussenruimte kan onzeker maken.
Maar misschien is het ook wel de plek waar nieuwe groei mogelijk wordt. Niet omdat alles meteen duidelijk is, maar omdat mensen leren leven met open handen.
Wezenzondag herinnert ons eraan dat geloven niet betekent dat alles vaststaat, maar dat mensen soms juist onderweg zijn tussen loslaten en ontvangen, tussen afscheid en nieuw begin.

Wat opvalt in Jezus’ gebed, is dat Hij de leerlingen niet klein maakt. Hij zegt niet: “Ze begrijpen er toch niets van.” Of: “Ze zullen het wel weer verpesten.” Nee. Hij vertrouwt hun iets toe. Hij gelooft blijkbaar dat gewone mensen , zoals de leerlingen, en zoals wij, iets van Gods liefde zichtbaar kunnen maken.

Dat is eigenlijk heel bijzonder. Want veel mensen hebben de neiging om zichzelf te onderschatten. We denken vaak: “Wat kan ik nu helemaal betekenen? De problemen in de wereld zijn zo groot. Mijn bijdrage stelt toch weinig voor.”
Maar verandering begint zelden groot. Bijna altijd begint ze juist klein.

Denk bijvoorbeeld aan een buurvrouw van wie de man is overleden. Mensen weten vaak niet goed wat ze moeten zeggen. Dus lopen ze soms maar door. Maar juist een klein gebaar kan verschil maken: een kaartje, een bos bloemen, een paar minuten aandacht aan de deur. Dat haalt het verdriet niet weg, maar het doorbreekt wel de eenzaamheid.

Of een jongen op school over wie altijd grapjes worden gemaakt. Eén klasgenoot die naast hem gaat zitten, kan al maken dat iemand zich weer gezien voelt.

Of iemand die vastloopt in schulden. Voor die persoon kan het een enorm verschil maken wanneer er eindelijk iemand tegenover hem zit zónder oordeel, maar mét geduld en inlevingsvermogen.
Wij onderschatten vaak wat kleine daden kunnen doen. Maar Jezus lijkt daar juist vertrouwen in te hebben.

Misschien is dat wel wat Hij bedoelt wanneer Hij spreekt over eeuwig leven. Veel mensen denken dan direct aan iets ná de dood. Maar in Johannes betekent eeuwig leven meer dan dat. Het gaat niet zozeer over léngte van leven, maar over kwalitéit van leven. Over een manier van bestaan waarin mensen werkelijk verbonden raken met zichzelf, met elkaar, en met God. Eeuwig leven begint dus niet pas later. Het begint waar mensen liefhebben, waar mensen vergeven, waar mensen hoop blijven houden, zelfs wanneer alles donker lijkt.

Een vrouw vertelde hoe ze werkte op een palliatieve zorgafdeling. Ze zei: “Wat mensen aan het einde van hun leven het meest missen, is zelden geld of succes. Het gaat bijna altijd over relaties. Over liefde. Over tijd die ze tekort kwamen. Over woorden die nooit uitgesproken zijn.”
Dat zegt eigenlijk veel. Blijkbaar zit de kern van het leven niet in bezit, status of prestaties, maar in verbondenheid. En precies daarover bidt Jezus. Hij bidt niet dat zijn leerlingen succesvol worden. Niet dat ze rijk zullen zijn. Niet dat ze altijd gelijk krijgen. Nee, hij bidt dat zij één zullen zijn. Verbonden.

Dat is in onze tijd misschien nog wel radicaler dan vroeger. Want wij leven in een cultuur waarin mensen steeds individualistischer worden. De nadruk ligt vaak op het eigen geluk, op zelfontplooiing, op persoonlijke vrijheid. En natuurlijk zijn dat belangrijke dingen. Maar tegelijk schuilt daarin ook een gevaar, namelijk: dat mensen van elkaar los raken.

Dat zie je bijvoorbeeld in discussies op sociale media. Mensen luisteren vaak niet meer werkelijk naar elkaar. Ze reageren direct, oordelen en veroordelen snel, en trekken zich terug in hun eigen gelijk. Terwijl echte ontmoeting juist begint waar mensen bereid zijn om werkelijk te luisteren.

Misschien is dat ook één van de redenen waarom zoveel mensen verlangen naar stilte. Waarom retraites populair zijn. Waarom mensen wandelen in de natuur, of hun telefoon bewust wegleggen. Niet omdat stilte leeg is, maar omdat er in stilte weer ruimte ontstaat om jezelf en anderen te horen.

Jezus trekt zich in het evangelie ook steeds weer terug. Niet om de wereld te ontvluchten, maar juist om daarna – als het ware ‘opgeladen’ – weer terug te keren. Misschien hebben wij dat óók nodig. Momenten waarin we even afstand nemen van alle prikkels, alle meningen, alle haast.

Een man vertelde hoe hij iedere ochtend eerst tien minuten stilzit voordat hij zijn telefoon aanzet. “Vroeger begon ik direct met nieuws en berichten,” zei hij, “maar ik merkte dat ik dan al gespannen aan de dag begon. Nu probeer ik eerst gewoon even te ademen, te kijken naar het licht buiten, en mezelf af te vragen: hoe wil ik vandaag mens zijn?”
Dat zijn eenvoudige dingen. Maar misschien begint spiritualiteit juist daar. Niet in grote woorden, maar in aandacht.

Johannes laat Jezus ook spreken over ‘verheerlijking’. Dat klinkt voor ons, moderne mensen, soms vreemd. Wij denken bij heerlijkheid al snel aan macht en glorie. Maar bij Jezus gebeurt het tegenovergestelde. Zijn heerlijkheid wordt zichtbaar in kwetsbaarheid, in liefde, in trouw.

Dat is een heel andere manier van kijken. Onze samenleving bewondert vaak succes, kracht en zichtbaarheid. Maar Jezus laat zien dat echte grootheid misschien juist zichtbaar wordt in mensen die trouw blijven, die blijven liefhebben, die niet verharden.

Denk aan mantelzorgers, die jarenlang zorgen voor een partner. Of aan vrijwilligers die iedere week weer klaarstaan. Of aan iemand die blijft bezoeken, blijft bellen, blijft helpen, ook wanneer niemand het ziet. Die mensen halen zelden het nieuws, maar misschien dragen juist zij de wereld.

In Johannes 17 klinkt uiteindelijk vooral vertrouwen. Jezus weet dat de wereld ingewikkeld is. Hij weet dat mensen tekortschieten. Hij weet dat er verdriet en conflict zullen blijven. En toch geeft Hij de hoop niet op.

Dat is misschien wel het meest bijzondere. Niet dat geloven alle problemen oplost, maar dat het mensen helpt om – ondanks alles – niet cynisch te worden. Want cynisme ligt voortdurend op de loer. Veel mensen zeggen tegenwoordig: “Het helpt toch allemaal niets meer.” “De wereld wordt alleen maar slechter.” “De mens verandert toch niet.”
Maar Jezus lijkt een ander mensbeeld te hebben. Hij blijft geloven in wat mensen kunnen worden. Niet perfect, maar wel liefdevol. Niet foutloos, maar wel bewogen.

En misschien is dát uiteindelijk wat geloven is: niet “zeker weten”, maar vertrouwen blijven oefenen. Vertrouwen dat liefde sterker kan zijn dan angst. Dat verbondenheid sterker kan zijn dan verdeeldheid, en dat licht sterker kan zijn dan donker. Dat betekent niét dat alles goedkomt. Maar wél dat wanhoop niet het laatste woord hoeft te hebben.

Misschien is dat ook wat wij vandaag nodig hebben. Niet grote antwoorden op alle vragen, maar mensen die blijven hopen. Mensen die blijven luisteren. Mensen die niet wéglopen voor verdriet, maar er ook niet in blijven steken. Mensen die, midden in deze wereld, iets zichtbaar maken van Gods liefde.

En misschien gebeurt dat vaker dan wij denken. In kleine gebaren. In aandacht. In trouw. In mensen die weigeren onverschillig te worden. Daar, heel concreet, krijgt het gebed van Jezus handen en voeten. Want geloven is niet alleen innerlijk, nee, geloven wordt vooral ook zichtbaar in hoe mensen leven, omzien naar elkaar, vrede zoeken en weigeren onverschillig te worden. Daarom worden er: Mensen gevraagd

Mensen gevraagd om de vrede te leren
waar geweld door de eeuwen heen model heeft gestaan
Mensen gevraagd die de wegen markeren
waarop alles wat leven heeft verder kan gaan

Mensen gevraagd om de noodklok te luiden
en om tegen de waanzin de straat op te gaan
Mensen gevraagd om de tekens te duiden
die alleen nog moedwillig zijn mis te verstaan

Mensen gevraagd om hun nek uit te steken
voor een andere tijd en een nieuwe moraal
Mensen om ijzer met handen te breken
ook al lijkt het ondoenlijk en paradoxaal

Mensen gevraagd om hun stem te verheffen
verontrust door een wapen dat niemand ontziet
Mensen die helder de waarheid beseffen
dat wie mikt op een ander zichzelf ook beschiet

Mensen gevraagd die in naam van de vrede
voor behoud van de aarde en al wat daar leeft
wapens het liefst tot een ploeg willen smeden
voor de oogst die aan allen weer overvloed geeft

Mensen gevraagd. Er worden mensen gevraagd. 
Dringend mensen gevraagd. Mensen te midden van mensen gevraagd.

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !