
Oldelamer, 26-4-2026
Johannes 10: 1-15
Als ik u zou vragen wat hét christelijke symbool bij uitstek is, dan is de kans groot dat u verwijst naar het kruis. In of op veel kerken hangt dat als een symbool voor Christus.
Misschien dat anderen de vis zouden noemen, de Ichthus; die staat bij sommigen op een sticker achter op hun auto.
Voor mijzelf geldt dat ik een ander symbool zou kiezen: het open graf als hét teken van het christendom. Immers, niét Goede Vrijdag heeft het laatste woord, nee, daarna kwam Pasen!
Maar een ander beeld dat vaak gebruikt wordt, is dat van de Goede Herder. In de catacomben van Rome is het niét het kruis dat als het vroegste afbeelding voor Jezus is gebruikt, maar dat van de Goede Herder: Jezus met een schaap op zijn schouders. Het is beeldtaal, bijna een geheimtaal.
Iedereen kende de herder; die hoorde bij het dagelijks leven. Maar christenen herkenden méér. Zij wisten: “Die herder — dat is Jezus. Hier zijn mensen geweest die geloven zoals ik.”
In het vervolgstuk op onze Johanneslezing zegt Jezus tot twee keer toe “Ik ben de goede herder.” En dan hebben wij vaak dat idyllische oude plaatje voor ogen: zo’n vriendelijke man met baard en een schaap op zijn schouders. Maar dat beeld mag wel wat bijgesteld worden. Het leven van een herder in Israël was zwaar en gevaarlijk. Hitte en droogte bedreigden de kudde, maar ook wolven en rovers lagen op de loer. Dus, romantisch? Nee, bepaald niet!.
Het beeld van de herder werd in Israël ook gebruikt voor leiders. In Ezechiël 34 lezen we over slechte en goede herders. Leiders die niet voor hun schapen zorgen, maar voor zichzelf. Die hun positie misbruiken, zichzelf verrijken, en de kudde aan haar lot overlaten. Dat beeld is nog altijd herkenbaar. Ook vandaag zien we leiders die vooral zichzelf dienen. We zien de beelden dagelijks op TV.
Maar tegenover hen zegt Jezus: “Ik ben de goede herder.” Dat “Ik ben” klinkt als de naam van God zelf: “Ik ben die Ik ben.” Een naam die vertrouwen wekt.
Wat maakt die herder dan zo goed? Allereerst dit: hij gaat tot het uiterste. Hij geeft zelfs zijn leven voor zijn schapen. Op Goede Vrijdag hebben we daarbij stilgestaan. Jezus misbruikte geen macht, gebruikte geen geweld, leefde niet in rijkdom.
Hoe anders dan veel leiders van vandaag, die stijgen ten koste van anderen.
De slechte herders van Ezechiël — tegenover de goede. Zoals David een goede herder was, zo wordt Jezus de Zoon van herder David genoemd.
Een tweede kenmerk: de herder kent zijn schapen en de schapen kennen hem. Dat kennen is geen kennis uit boeken. Het is relationeel, persoonlijk. Een kennen dat groeit in ontmoeting en ervaring. Zoals mensen elkaar leren kennen in een relatie. Nooit volledig, nooit helemaal afgerond — maar wel echt.
We kunnen ons afvragen: hoe goed kennen wij elkaar eigenlijk? En misschien nog belangrijker: hoe goed kennen wij onszelf? Al in de oudheid stond er boven de tempel in Delphi: “Ken uzelf.” Ook in de Bijbel klinkt die oproep. Zelfkennis is geen luxe, maar een voorwaarde om de ander werkelijk te kunnen ontmoeten. En misschien ook wel om God te kunnen vertrouwen.
Want vertrouwen — dat hoort bij dit kennen. Sommigen, zoals Sigmund Freud, de psychoanalyticus, noemen geloof naïef, zelfs een zwakte. Anderen, zoals destijds de Nederlandse psychiater Rümke, zeggen juist het tegenovergestelde, namelijk dat ongeloof voortkomt uit angst om je over te geven.
Misschien ligt de waarheid daar ergens daartussenin. In het wederzijds kennen: gekend worden én zelf kennen. Daar groeit vertrouwen — zonder angst.
En een derde aspect van de herder is: hij kent zijn schapen bij name. Dat staat model voor het feit dat mensen er mogen zijn zoals ze zijn. Iedereen heeft een eigen individuele unieke persoonlijkheid en hoeft zich niet te veranderen omdat hij iemand ánders zou moeten worden.
Nee, u, jij en ik, wij worden allemaal bij onze eigen naam gekend. Maar we leven wel als schapen in een soort van kudde en in die zin houden we ook rekening met elkáár, maar dan dus wel zonder onze eigenheid te verliezen.
En het laatste punt dat we aanstippen was voor mij een eye-opener: De herder is er niet op uit om de schapen de stal in te leiden, nee, hij leidt ze juist uit de stal naar buiten! Dat kan een beeld zijn voor het niet binnenkerkelijk gericht zijn, voor het uít onze veilige comfortzone komen, waar we elkaar kennen en weten wat we aan elkaar hebben.
Buiten de stal geleid worden betekent dan dus: ruimte geven aan vernieuwing en verandering, ook als gelovige. Nieuwe uitdagingen aan durven gaan, het onzekere tegemoet.
Buiten de stal is de wijde wereld, soms bedreigend, in elk geval onzeker.
Maar met het oog op de herder en op hem vertrouwend, kunnen de schapen die vrijheid wel aan en dúrven ze het ook aan!
Immers God was het die het volk – zijn schapen dus – door de Rietzee leidde. Hij zette de Farao voor schut. Hij begeleidde het volk met een wolkkolom en een vuurkolom. Als ze honger hadden kwam er manna; hadden ze dorst, dan kwam er water uit de rots. En in plaats van een stál binnen te gaan, mochten ze een lánd intrekken. Het beloofde land.
Misschien is dat alles dus ook wel: uit de stal geleid worden.
Een goede lezer of luisteraar zal opmerken dat in vers negen Jezus zichzelf ook nog eens met een deur vergelijkt en zegt dat de schapen erdoor naar bínnen gaan. Juist ín de stal dus. Verschillende benaderingen dus in één stuk tekst.
Er zijn uitleggers die zeggen dat vers 7 en 9 later zijn toegevoegd. Die verzen gaan over de deur en het naar bínnen gaan van de schapen. Maar ook al zou dat niet zo zijn, dan nóg is het een mooi aspect. Dan namelijk lezen we hier dus verschillende beelden voor Jezus, namelijk als herder en als deur.
En er zijn verschillende situaties waar de schapen heengeleid worden: ofwel naar buiten de stal – ze krijgen de ruimte – of ze worden er juist naar binnen geleid – ze krijgen veiligheid. En daar binnen in díé stal zijn ze in de rijkdom van het volle leven.
Die verschillende beelden die voor Jezus worden gebruikt zijn wat mij betreft een prachtig beeld voor de kerkelijke gemeente. De één voelt zich het meest verbonden met het kruis, een ander meer met de Ichthus-vis of een open graf. De vierde ziet Jezus als de Goede Herder, de vijfde als de deur. De één voelt zich geroepen om naar buiten te treden. Een ander doet graag aan meditatie en bezinning. Meer naar binnen gericht dus.
Misschien, misschien is dat ook maar goed. Dat het niet allemaal eenheidsworst is, maar dat we elkaar aanvullen. Verschillende kleuren bloemen vormen immers een mooi boeket. En in een mooi orkest horen verschillende instrumenten thuis en de diverse stemmen vormen een mooi meerstemmig koor.
En – zo klinkt het in aan het eind van de dienst in ons slotlied: is iemands stem gebroken of zijn of haar adem zonder kracht, het lied op and’re lippen draagt hen dan door de nacht.
We zijn immers, als het goed is, ook goede herders voor elkáár. Het begint uiteraard met God als hij zegt: Ik ben de goede herder.
Esther Tims, die jarenlang tot de top van de gospelmuziek behoorde, verwoordde het in het lied met de titel: Ik zal er zijn. Die bekende woorden van God aan Mozes bij de brandende braamstruik. Esther Tims gebruikte een beeld dat lijkt op dat van een geduldige herder die zijn verloren schaap draagt en terugbrengt; zij zingt: “Als een vriend wil ik je dragen alle dagen, ik zal er zijn. Als een ster in donkere nachten zal ik wachten, ik zal er zijn.”
Maar, zo kunnen wij ons afvragen, hóé wil God er zijn? Hoe kan God aanwezig zijn in ons leven? Ik denk dat dat alleen maar kan als wij onszelf de vraag stellen: “Hoe kan ik zélf een goede herder zijn voor mensen om mij heen?” Want wij zijn als schapen ook verantwoordelijk voor elkaar! Dat lezen we ook in de rest van het hoofdstuk uit Ezechiël. Tegen anderen zeggen dat God is wat hij gezegd heeft, nl.: Ik zal er zijn, dat heeft als consequentie dat wij Gods handen en voeten willen zijnen ons zo opstellen als herders van elkaar.
Dat doen we als we de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken en als we zorg hebben voor de doden. Het zijn de zeven werken van barmhartigheid. Daar is immers grote behoefte aan, barmhartigheid, aan mensen die herder voor elkaar willen zijn.
Claudia de Breij verwoordt het zo mooi in haar lied: “Mag ik dan bij jou?”: Mag ik dan bij jou schuilen, als het nergens anders kan? En als ik dan moet huilen, droog jij m’n tranen dan?
En dan zeggen wij – als het goed is – tegen elkaar: “Natuurlijk! Ik bén er voor je!” Immers: Christus roept ons, zijn gezicht te zijn, gerechtigheid en vrede, brood en wijn, zijn liefde, hoop geloof, zijn zonneschijn.
Juist in een tijd waarin zoveel mensen zich alleen voelen, waarin vertrouwen onder druk staat en tegenstellingen groeien, kan dat het verschil maken. Dat wij er zijn — voor elkaar.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !