
Noordwolde, 28-6-2026,
Jeremia 29: 1 en 4-14 en Matteus 10: 134-42
Om direct maar met de deur in huis te vallen: Ik heb sterk geaarzeld of ik wel het oecumenisch leesrooster zou volgen. Dat komt vooral door de confronterende inhoud van de tekst die voor vandaag gepland staat.
Want elke keer als ik deze tekst lees, bekruipt mij een nogal erg ongemakkelijk gevoel.
Wij zijn toch allemaal gepokt en gemazeld met een beeld van Jezus als een erg vredelievend persoon, iemand die zelden of nooit boos wordt. En wordt ie wél boos, dan is het vanwege misstanden, onrecht en zo.
Maar wat moeten we dan met deze tekst van vandaag: “Denk niet dat ik ben gekomen om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.”
En daarna volgt een al even moeilijk stuk, waarin Jezus een wig drijft in allerlei familierelaties, zowel binnen de eigen als met de schoonfamilie. En dat in de Bijbel, een boek dat we toch kennen als het Evangelie, de blijde boodschap, het goede nieuws! En dát uit de mond van Jezus, die je eerder associeert met een duif dan met een zwaard.
Toch moeten we meteen zeggen wat deze woorden in elk geval niét betekenen. Jezus roept hier niét op tot geweld. Dat zou ook niet passen bij degene die later zegt: “Steek je zwaard terug op zijn plaats.” Jezus verheerlijkt de verdeeldheid niet en zoekt haar evenmin op. Maar hij weet wél dat zijn boodschap mensen voor een keuze stelt. En zulke keuzes kunnen scheiding brengen, soms zelfs tussen mensen die elkaar liefhebben.
Wij zien toch over het algemeen de manier van Jezus’ leven als een afspiegeling van het bedoélde leven, het ‘Gode welgevallige’ leven. En dat is toch een leven in liefde, verbonden met God én mensen; een leven van vrede en recht, dat toch haaks lijkt te staan op de woorden uit de Matteüs-tekst van vandaag? De onverwachte woorden van Jezus geven immers aan hoe familierelaties nu net niét moeten zijn.
We kennen de situaties van verscheurde families We zagen het in WO-II waar soms familie van verzetsleden koos voor de andere kant en zich aansloot bij de NSB.
We zien het in Israël waar hardliners en gematigden, ultraorthodoxen en liberalen elkaar bestrijden.
We zien het in de islam waar kinderen de djihad ondersteunen en opstaan tegen ouders die proberen te integreren.
Zo hebben we een scala aan mogelijke invullingen van deze woorden en een overvloed aan even ingrijpende voorbeelden waar jarenlange familietrauma’s het gevolg van kunnen zijn. En géén van die voorbeelden doet toch denken aan de nabijheid van het koninkrijk van de hemel, van God? Terwijl daarover in vers 7 van ons hoofdstuk nog wel wordt gesproken. Het Koninkrijk van God dat het beeld is van een écht thuis en thuiskomen.
En daarmee staat dat beeld van het Koninkrijk van God tegenover dat van de ballingschap waarover we lazen uit Jeremia.
De ballingschap. Dat is ver van huis zijn, ver van Jeruzalem, ver van sjalom, van vrede.
Dáár, in dát Babel, klinken juist woorden die oproepen tot vrede, tot een goede verstandhouding met wie eigenlijk je vijanden zijn. De ballingen worden vanuit Jeruzalem door de profeet opgeroepen om te investeren in hun léven. Niet in opstandigheid, verzet of terreur. Zij moeten huwen, huizen bouwen, kinderen krijgen en ondernemen, een bijdrage leveren aan de welvaart van de samenleving waarin zij als balling leven.
Voor een kleine groep, in een vreemd land, betekent dat advies van de profeet: een mogelijkheid om te overleven. Verzet zou namelijk bijna zeker tot de dood leiden.
Ze moeten in een goede verstandhouding gaan samenleven met de authentieke bevolking, ze moeten gaan bijdragen aan de plaatselijke economie en welvaart; dát is voor hen ‘kiezen voor het leven’. Door te huwen en te bouwen en kinderen te verwekken, investeren zij – ondanks verdriet, en verlangen naar huis – in de toekomst.
Nieuwe Nederlanders krijgen van allerlei kanten eenzelfde advies: integreer in de Nederlandse samenleving, maak er deel van uit. Leer de taal, volg een studie, zoek werk, ga bij een vereniging.
Datzelfde gold dus ook voor de ballingen uit Jeremia. Zij wortelen zich in de nieuwe samenleving waarin zij zijn terechtgekomen, mét vertrouwen op de Eeuwige en zonder zichzelf te verliezen. Dat is een blijk van vertrouwen in Gods belofte. En daarmee is hun handelen ook een daad van vrede. Echte vrede.
Dan weer naar het Matteüsgedeelte: geen vrede, maar het zwaard. Die tekst van Jezus wordt al een stuk minder confronterend als we ons realiseren dat met die ‘vrede’ hier niét gedoeld wordt op de afwezigheid van oorlog. Nee, vrede is hier een begrip dat doelt op heelheid.
Bijbels gezien is het ultieme teken van vrede door de profeet Micha heel beeldend verwoord in zijn stuk over het koningschap van de Heer:
“Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt.” Rustig kunnen zitten in je wijngaard of onder je eigen vijgenboom: als je een gerust geweten hebt en genoeg te eten, dan kun je van je bezit genieten. Dan is het vrede. Vrede houdt namelijk in: recht en gerechtigheid, zorg om de zwakken, de zwaarste lasten op de sterkste schouders, geen discriminatie, geen uitsluiting, geen groepsdemonisering.
Want: hoe zouden de ballingen-van-vandaag huizen kunnen bouwen en hoe zouden zij kunnen ondernemen als zij de kansen niet krijgen?
Hoe moeten die ballingen goede opleidingen doen en afronden als docenten hen al bij voorbaat op basis van hun afkomst beschouwen als potentiële afvallers, of als zij door hun migratieachtergrond geen stageplek krijgen?
Hoe moeten die ballingen een baan vinden als zij worden afgewezen vanwege hun niet-Nederlandse naam of hun niet-blanke huidskleur?
Hoe moeten die ballingen zich prettig voelen, in een land als er sprake is van institutioneel racisme; als je als migrant in grote steden een kleinere kans hebt op een particuliere huurwoning?
Wat héb je dan als balling, als migrant, aan het advies: “Leer de taal, volg een studie, zoek werk, ga bij een vereniging.”?
George Floyd was een Afro-Amerikaanse man die in 2020 in Minneapolis werd vermoord door een witte politieagent; tijdens zijn arrestatie zei hij: “I can’t breathe!”, ik kan niet meer ademen. Die woorden blijven hangen, I can’t breathe! ik kan niet meer ademen. Ze staan voor iets dat veel mensen ervaren, helaas ook in Nederland, nl.: geen ruimte hebben en krijgen om werkelijk te leven en erbij te horen.
Het ontbreken van dié heelheid, dát is waar Jezus op doelt. In zulke situaties wil Jezus geen schijnvrede, geen mantel der liefde, waardoor misstanden kunnen blijven voortbestaan. Het zwaard waarover hij spreekt, is de pijnlijke scheidslijn die zichtbaar wordt wanneer mensen verschillende keuzes maken. Wie opkomt voor recht en gerechtigheid zal soms weerstand ontmoeten, ook in de eigen kring.
Juist in zulke situaties kan er een wig ontstaan in gezinnen en families. Niet omdat iemand ruzie zoekt, maar omdat trouw aan het evangelie soms een prijs heeft. Dat is namelijk het geval als er eentje is in een groep die consequent is; consequent in het nastreven van de heelheid waar Jezus op doelde. Consequent in het aan de kaak stellen van discriminatie, of dat nu is vanwege huidskleur, sekse, seksuele geaardheid, geloof, de hoogte op de maatschappelijke ladder, of wat dan ook.
Als je je nek uitsteekt voor mensen die gediscrimineerd worden, dan ben je op verjaardagsfeestjes, in een sportkantine of langs het voetbalveld niet zelden zélf de gebeten hond.
Als je genuanceerder denkt dan wat vaak ‘normaal’ wordt gevonden, dan moet je sterk zijn om staande te blijven. En soms moet je er zelfs voor kiezen om afstand te nemen. Zo van: hier wil ik niet bij horen.
En dát is precies waar Jezus op doelt. Als je karakter hebt en gerechtigheid nastreeft, dan werk je als het ware aan dat Bijbelse begrip ‘vrede’; dan werk je mee aan het Koninkrijk van God. Uiteindelijk stelt Jezus hier een vraag naar onze diepste loyaliteit. Wat heeft in ons leven het laatste woord? Is dat de groep waartoe wij behoren? Familie? Tradities? Of datgene waarvan wij diep van binnen weten dat het goed en recht is voor God?
Dát bedoelt Jezus wanneer hij zegt dat niemand vader of moeder boven hém mag stellen. Niet omdat familie onbelangrijk zou zijn, maar omdat de roep van God – tot liefde en gerechtigheid – uiteindelijk dieper gaat dan welke menselijke loyaliteit ook. Anders geformuleerd: Werken in Gods Koninkrijk vergt een bepaalde manier van leven. En dan moet je álles wat strijdig is met dat Koninkrijk, ook al is het je familie, kunnen loslaten, of je er zelfs van verwijderen.
Zo hebben we vanmorgen twee houdingen voorgeschoteld gekregen: Ten eerste: soms vraagt ‘trouw aan God’ dat wij ons wortelen in de wereld waarin wij leven en haar vrede zoeken, zoals de ballingen in Babel deden. En ten tweede: soms vraagt diezelfde trouw juist dat wij weerstand bieden en niét meegaan met wat onrechtvaardig is.
In beide situaties is het bedoeld om trouw te kunnen blijven; trouw aan het Koninkrijk van God, en als het goed is blijven we dan ook trouw aan onszelf en aan onze naaste.
Dat klinkt allemaal misschien wel aardig, maar… hoe doen we dat? Hoe zorg je dat je op de goede weg belandt en er ook blijft?
Want als je door je mening tegenover jouw familie komt te staan, dan kan dat voelen als een zwarte nacht, waarin je je enorm eenzaam kunt voelen. Hoe houd je dan tóch stand?
In de eerste plaats door je te laten inspireren door de juiste voorbeelden: Mensen om je heen die je ondersteunen bij het volgen van je hart. Vrienden met wie je optrekt in de goede strijd. Mensen om je heen hebben die jouw keuzes op z’n minst respecteren.
Maar soms gebeurt het ook zomaar dat er iets op je weg komt. Een boek, een film of een stukje muziek waardoor je gesterkt wordt om je rug te rechten. Dat zijn dan als het ware engelen die in de nacht verschijnen. De nacht van onrust, van beproeving, van zorg en eenzaamheid, waarin je te maken krijgt met tegenwerking en onbegrip.
Die engel – dus die persoon, dat boek, dat lied, die fijne ervaring – brengt dan licht in jouw leven waardoor je weer de goede perspectieven ziet en je rug recht. Want hoe groter het belang is dat op het spel staat, des te belangrijker het is om een keuze te maken en des te groter is vaak de prijs die we ervoor moeten betalen.
Soms is dat een strijd met mensen die ons dierbaar zijn. Dat is dan niet omdat we die strijd willen of omdat we die strijd opzoeken. Nee, het is dan omdat we geen andere keuze kunnen maken om goed te leven, of om aan ons eigen leven toe te komen.
Aan ons is dus de keuze. Dat klinkt hard. Maar je kunt niet marchanderen over zaken van absoluut belang. Niet alles leent zich voor een bloedeloos compromis. We zijn vrij, maar zaken van dood en leven vragen een duidelijke keuze én tegelijkertijd de bereidheid om de consequenties ervan te dragen.
Jean-Paul Sartre, de Franse filosoof, had dus groot gelijk toen hij schreef dat we ‘veroordeeld’ zijn tot vrijheid. Die vrijheid dwingt ons immers verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen handelen. We kunnen ons niet verschuilen achter anderen.
En dan kan het leven ingewikkeld zijn, een raadsel: waar doe ik goed aan? Want zekerheden hebben we weinig in het leven, als het gaat om de uiteindelijke gevolgen van onze keuzes. “Wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden.” Kies dan het leven. Wanneer die strijd gestreden is om een keuze te maken vóór de liefde en dus vóór het ideaal van het Koninkrijk van God, dán is de échte vrede niet meer ver.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !