Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================

 

Oudwoude, 4 december 2022

Ruth

Matteus 13: 54 – 58

 

Van krantenbezorger tot president; dat is de metafoor waarmee we het levensverhaal van Jezus kunnen typeren. Hij was maar een zoon van een eenvoudige timmerman, maar werd – plat gezegd – de belangrijkste rabbi die ooit geleefd heeft. Dan zou je denken: respect; maar ….  zulke mensen worden door hun eigen omgeving vaak scheef aangekeken: “Wat verbeeldt die man zich wel?” Waar haalt-ie het lef vandaan? Het is een betweter van de bovenste plank, want: Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg!”

Lieuwkje, mijn vrouw, en ik hebben enkele jaren achter elkaar avonden verzorgd over het schrijven van je eigen levensboek. Dat waren bijeenkomsten waarin de deelnemers als het ware de ingrediënten aangereikt kregen om hun eigen biografie te schrijven. De eerste avonden werden besteed aan de vraag over hun achtergronden: Uit wat voor nest kom je? Waren er meer kinderen? De hoeveelste was jij? Welk beroep had jouw vader, en werkte je moeder ook buitenshuis? Woonden jullie in een dorp of stad? Huurhuis of koopwoning? Wat voor trauma’s hebben er zich eventueel vóór of na jouw geboorte afgespeeld in het gezin?
Het komt een beetje neer op de kern van de vraag: “Fan wa bist do d’r ien?”
Het antwoord op die vraag schept namelijk vaak al veel duidelijkheid. Is iemand kind van een dominee, hoofd van een school, arts of notaris, dan weten we dat hij of zij waarschijnlijk in een glazen huis woonde. Je moest je keurig gedragen want “wat zullen de mensen anders zeggen?” Was de vader boer, dan kun je bijna zeker zijn, dat het kind moest meewerken op het land of in de stal. Was de vader beroepsmilitair of bij de politie dan was de kans groot dat er thuis een ijzeren discipline gold. Doordat die informatie tijdens de avonden onderling werd uitgewisseld kregen de deelnemers een beter beeld van elkaar. Soms had men bepaalde ideeën of vooroordelen, maar die vielen dan weg als de ander zijn of haar verhaal had gedaan.
Maar  … de deelnemers leerden ook zichzélf beter kunnen, door zich te realiseren in welke ‘context’ ze waren opgegroeid.
Ook andere dan alleen de harde feiten kunnen iemand vormen als mens. Mijn grootvader woonde lang bij ons in huis en hij was een erg gevoelige man. We mochten geen ruzie maken, niet de muziek hard aan zetten, niet met de deuren slaan, enzovoort. Dat soort zaken werkt door. Mijn analyse is, dat het bij ons zó uitwerkte dat wij conflict-vermijdend gedrag gingen vertonen. Geen gedoe dus. Maar vroeg of laat breekt zoiets je op. En het gaat van de ouders vaak over op de kinderen. Het is daarom goed om je van dit soort processen bewust te zijn. Dat je bij jezelf nagaat welke zaken jouw opvoeding hebben beïnvloed. Maar ook andersom: wat heb ik op mijn kinderen overgedragen? En welke uitwerking kan dat hebben gehad of heeft dat wellicht nóg?
Mensen moeten soms intensief aan zichzelf werken om een eigen persoon te worden in plaats van wat ze soms geworden zijn, namelijk een kopie van vader of moeder. En dat kan conflicten met zich brengen. Als de zoon of dochter plotseling een andere weg inslaat, op een andere politieke partij stemt, de kerk vaarwel zegt, ongehuwd gaat samenwonen of iets dergelijks, dan is er een kans dat dat verwijdering met zich brengt, want
ouders beschouwen dat soms als een miskenning van hun opvoeding; tótdat ze gaan inzien dat het juist een hele goeie ontwikkeling is; dat het kind dus blijkbaar zelfstandig wordt en zijn of haar eigen weg heeft gevonden. Dat het kind zijn of haar eigen bestemming aan het zoeken én vinden is. Gelukkig zijn er ook ouders die inzien dat ze dát juist moeten toejuichen.

In de lezing uit Matteus komen we hetzelfde dilemma tegen. Eerst even iets over de context van dit verhaal. Bij de mensen in Nazaret – maar niet alleen bij hen, ook wijzelf hebben er soms wel een handje van – bij de Nazareners ziet men God graag alleen in de bijzóndere dingen. Volgens velen openbaart God zich alleen in wonderen en dergelijke. En dat is verschrikkelijk jammer. Want zij zien niet dat God júíst in het alledáágse gevonden kan worden. En dan ontgaat je de rijkdom en de troost van dat alledaagse leven. Ik moest hierbij sterk denken aan Klaas Hendrikse, de inmiddels overleden sterk omstreden dominee, en auteur van het boek “Geloven in een God die niet bestaat”. Die dominee Hendrikse kwam eens bij een vrouw in het ziekenhuis. Zij was al op leeftijd, en het ging niet zo best. Ze klaagde daarom steen en been: “En ik merk ook niks van God.” Klaas Hendrikse antwoorde haar toen “Maar ik ben God op de gang al drie keer tegengekomen.”
Die zieke vrouw wachtte op een wonderbaarlijke genezing, dát is immers hoe veel mensen naar God hebben leren kijken; zo is Hij ons vaak voorgeschoteld: God kan immers álles !? Hij kan vooral dingen die wij zelf niét kunnen. Maar … daardoor gaan we voorbij aan hoe God zich óók manifesteert. Of, misschien manifesteert God zich júíst niét in het wonderbaarlijke. De vrouw zocht het in – en ze verwachtte het van – iets buitengewoons: een plotselinge genezing; pijn die in één keer verdwenen zou zijn. Maar dominee Hendrikse probeerde haar duidelijk te maken dat ze God óók en juist had kunnen ervaren in iets of iemand anders: in de verpleegkundige, de arts en de anesthesist – die hij – op weg naar haar –  alle drie op de gang was tegengekomen.

De mensen in Nazaret hebben nog dat andere Godsbeeld voor ogen. God is té groot, hij is onbereikbaar, we kunnen niet aan hem tippen. En dus vinden ze dat Jezus, die ´eenvoudige timmermanszoon´, dat hij niet moet denken dat hij als een profeet namens God kan spreken. “Wat verbeeldt die man zich wel?” Waar haalt ie het lef vandaan?”
Maar wij zijn niet geschapen om kuddedieren te worden die keurig in de pas lopen en binnen de lijntjes kleuren. Nee, wij zijn bedoeld om unieke mensen te zijn en dus geen kopieën van anderen. We zijn goed zoals we zijn en we hoeven ons niet te meten met anderen.
Maar…., als dát zo is, als wij goed zijn zoals we zijn, waarom zouden wij dan andere mensen de maat moeten nemen, veroordelen, onheus bejegenen, en soms zelfs afschrijven? WIJ hoeven niet beter te worden dan we al zijn, dan mogen we ook niet van anderen zeggen dat ze niet goed genoeg zijn!
De bekende Duitse theoloog Eugen Drewermann schreef: “Thuis zijn in Nazaret – dat is de hele openbaring van God. Het ongewone ontdekken in het heel gewone, het grandioze in het onooglijke, het goddelijke in het al te menselijke: dát is de hele kunst van de menswording van onze God.” Drewermann doelt hier op de boodschap en levenshouding van Jezus; en die was: het zijn de kleine dingen die het doen. En: doe maar gewoon – dan doe je al goed genoeg. Met andere woorden: Al die dingen die maar heel gewoontjes lijken – het zijn allemaal vonkjes van God.
Het gaat er om dat we ontvankelijk zijn voor die alledaagse dingen. Dat mooie gesprek met die wildvreemde op straat; de merel die hipt over het gazon; het verzorgde kaartje dat zomaar in de bus lag; de geduldige arts die alles nóg wel een keer wil uitleggen; die schitterende muziek die je even uit je ellende omhoogtilt; dat kind dat zo vrolijk rondhuppelt over het plein; … en ach, u kunt het aanvullen met de dingen die u altijd zo goed doen, die een glimlach op uw mond bezorgen als u er tenminste voor open staat.

Die mensen in Nazaret – en hebben wij er allemaal niet een handje van? – zij verwachten in de synagoge, en wij verwachten misschien wel in de kerk, dat er grote woorden worden gezegd over God. We luisterden vroeger ademloos als de wonderen ter sprake kwamen, Wij luisterden naar preken over een almachtige God, die álles kan. Maar zit de grootsheid van God niet juist in de kleine en gewone dingen? En zitten de wonderen niet juist in de manier waarop wij elkáár tot steun en toeverlaat kunnen zijn?
Die mevrouw bij wie Klaas Hendrikse in het ziekenhuis op bezoek kwam, zij was verdrietig, gefrustreerd, en misschien ook wel boos op God. Zou het voor haar gemoedsrust én gezondheid niet beter zijn geweest als zij met andere ogen naar de werkelijkheid had gekeken? Met ogen die inzien dat er tóch een keer een eind aan ieders leven komt, maar dat het zo prachtig is om helpende mensen om je heen te hebben, die er alles aan doen om te proberen jouw leed wat te verzachten?
De mensen in Nazaret – ook zij waren boos, zij namen aanstoot aan Jezus. “Hoe kan iemand die grote machtige God, waar wij tegen opzien, waar we ontzag voor hebben, ja, waar we soms zelfs bang voor zijn, hoe kan iemand die zó naar beneden halen  dat het juist bevrijdend werkt?” Want dát was wat Jezus deed – Gods bevrijdende boodschap uitdragen. Misschien was het voor hen – en ook voor ons? – wel confronterend. Want als het zó eenvoudig is: als het navolgen van Jezus niét is dat we geloven in dogma’s en leerstellingen, en niet uit elke dag drie of vier keer bidden of uit de Bijbel lezen; maar als het navolgen van Jezus ten diepste is: mens te zijn onder de mensen en in vrede en harmonie samen te leven, ja, dán is Jezus’ boodschap echt een aanklacht tegen de Nazareners. Dan worden ze aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Dan is die boodschap van Jezus, dat ons geloof, dat onze relatie met God – die vaak als de verticale lijn getypeerd wordt – dan is Jezus’ boodschap dat die lijn alleen maar zichtbaar wordt als we dat geloof ook onder elkaar en naar de wereld uitdragen; maar ja, dat menselijke, dat wordt vaak als té horizontaal beschouwd.

Jezus’ optreden en uitspraken en gelijkenissen, maken duidelijk dat ons geloof, onze relatie met God, júíst zichtbaar wordt in de manier waarop wij met elkaar en met de schepping omgaan. Dingen uit het alledaagse leven dus. Mattheus 25 is daarvan het meest sprekende voorbeeld: Daar zegt de koning, die in de Bijbel toch model staat voor God: “Ik was naakt en u hebt mij gekleed, hongerig en u hebt mij gevoed. Ik zat gevangen en u hebt mij bezocht.” God zien in de naakten, de hongerigen, de gevangenen, daar gaat het om. De Nazareners konden nóg zo vroom in de synagoge zitten, en wij kunnen nóg zo mooi zingen en bidden in de kerk, maar het gaat in het praktische leven om het kleden van de naakten, het bezoeken van de zieken en gevangenen, en het huisvesten van vreemdelingen. God hooghouden is opkomen voor de ander; hem of haar bijstaan in moeilijke tijden; de ander niet kleinhouden maar doen ontplooien tot volwaardig mens. Dát is immers wat ook Jezus deed.

Jezus, de Christus, die ruim 2000 jaar geleden werd geboren. Dié geboorte, daar hoeven we dus niet meer naar uit te zien, ook niet in deze adventperiode. Maar .. wát verwachten we dan wél in advent? Waar hopen we dan op? Als het goed is, gemeente, zijn wij hoopvol over de komst van Christus. Niet de Jezus, zoals die in de Bijbel tot ons is gekomen, want die ís immers 2000 jaar geleden al geboren; nee, wij kunnen hopen op de geboorte van de Christusgeest in onszélf. Dát zouden we moeten verwachten en dáár moeten we aan werken. Want als Christus niet elke keer weer ook in onszelf geboren wordt, als we die Christusgeest niet telkens weer laten spreken in ons hart, dan blijft dat hart – ook al wordt het wel weer eens voorjaar – dan blijft dat hart toch winters koud en versteend. Als wij in alle drukte en hectiek en overdaad aan licht de komende weken niet tussendoor ook de rust zoeken en stil worden, om ons hart te openen voor de komst van de Christus in onszélf, dan hoeven we over enkele weken ook geen groot feest te vieren.
Daarom ook zongen we: Kom Geest van God, maak onze harten open, dat Christus in ons woning vindt. En eerder al in het morgenlied: Maar in de mensen wilt Gij wonen Met hart en ziel aan ons getrouwd.
Het komt er op aan dat wij het Licht, waarin we zeggen te geloven, dat we dat ook willen uitstralen naar anderen. En dat doen we als we hen ruimte geven en in het licht zetten.
Maar ja, als je als Nazarener gelooft in een straffende God die hoog boven ons verheven is, waar je bang voor moet zijn, een God die streng oordeelt en je alle fouten en foutjes aanrekent, ja, dan is er geen plaats voor iemand, zoals Jezus, ook al is het je dorpsgenoot of zelfs je broer of zus, zoon of dochter; dan is er geen plaats voor iemand die bevrijding preekt, die zegt dat God géén straffende maar een liefhebbende God is. “Wat verbeeldt die man zich wel?” Waar haalt ie het lef vandaan?”

En dan staat er dat Jezus in Nazaret weinig wonderen verrichte vanwege het ongeloof van de Nazareners. Maar wat wás dat, hun ongeloof? En is dat misschien ook óns ongeloof? Want wij lijken meer op die Nazareners dan wij zélf vaak doorhebben. Is ongeloof van veel mensen niet ten diepste dat zij vaak te gesloten zijn? Te gesloten om zich open te stellen voor de wonderen om hen heen? Mensen geloven in een God die wonderen kan verrichten, zeggen ze. Maar die wonderen gebeuren alléén als wij ze ook willen zien. Sterker nog: wonderen gebeuren vooral als wij ze ook willen dóén!
Maar dát vinden de Nazareners, en misschien ook wij wel, te gewoontjes. Geloof is toch iets tussen de mens en het hogere of Dé hogere? Geloof dat is dan toch het besef dat de mens nietig is en tot niets in staat en dát tegenover een almachtige, alziende, en vooral oordelende God?
Ik denk dat dit de grootste misvatting is binnen het christendom. De eerder genoemde dominee Hendrikse zei: God bestaat niet, God gebeurt! God gebeurt – een prachtige benadering. Maar God kan alleen dáár gebeuren waar u, jij en ik bereid zijn om mee te werken aan zijn Koninkrijk. Een Koninkrijk waar naakten worden gekleed, hongerigen gevoed, zieken en gevangenen bezocht en vreemdelingen opgevangen. Een Koninkrijk waar we elkaar niet de maat nemen. maar proberen te steunen en te stimuleren waar dat mogelijk is. Een Koninkrijk waar je eens een foutje mag maken, waar je niet altijd op je tenen hoeft te lopen, maar er mag zijn zoals je bent.

Zoals Ruth er mocht zijn zoals ze was, als vreemdelinge, als Moabitische. Als eenvoudig meisje kwam ze bij hereboer Boaz en hij trouwde met haar. hun zoon, Obed, werd de pake van David, uit wiens geslacht Jezus geboren zou worden. Ruth had Noömi gezegd dat ze haar niét alléén zou laten gaan. “Ik blijf bij jou, waar jij ook gaat, ik blijf je trouw.” De goedgunstigheid van Boaz werd door Ruth als een wonder ervaren: “Waarom ben je zo goed voor mij terwijl ik maar een vreemdelinge ben?” Maar Ruth had zelf het wonder in werking gezet door vanuit haar hart te leven en Noömi bij te staan. Ruth wilde Gods handen en voeten zijn. Nog voordat Jezus werd geboren had zij de Christusgeest al in zich.

Wonderen, Jan, Geloof jij nog in wonderen? Die vraag krijg ik wel eens. Jazeker, zeg ik dan, er kunnen nog elke dag wonderen gebeuren, maar dan moeten wij bereid zijn om Gods oog en oor, zijn hand en voet, zijn hart en mond te zijn; zijn liefde, hoop, geloof – zijn zonneschijn. Als we dát kunnen opbrengen, dan zijn de wonderen de wereld nog niet uit.

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje ! (klik op mailtje)

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.