Preek van de voorlaatste keer

Havelte, 10-3-2024
Matteus 14: 13 – 21

De laatste decennia is het bijna traditie geworden om, na het overlijden van een bekende Nederlander, deze massaal te gedenken. En na een moord zie je de mensen vaak samenkomen in een stille tocht. Of juist niet zo stil, zoals na de moord op Theo van Gogh en na de dood van Andre Hazes. Daar was er juist voor gekozen de overledene met kabaal te gedenken. Dat is wel wat anders dan waarover we lazen in Matteus.
Dat verhaal begint er mee dat Jezus het bericht krijgt over de moord op zijn vriend Johannes. Jezus wil zichzelf dan afzonderen en een afgelegen plek opzoeken om alleen te zijn. Hij zoekt dus juist de stilte van de eenzaamheid op. Blijkbaar heeft hij er even geen behoefte aan om zijn emoties met anderen te delen. Dus neemt hij even een time-out.

Maar de mensen kregen te horen dat ]ezus met de boot wegging, dus volgden zij hem, over land. Hoewel Jezus graag met zijn verdriet alleen wilde zijn, komt er juist een hele menigte op hem af. Dat zien we ook in onze dagen nog. Televisiemakers en journalisten van de radio of de krant – zij kunnen het vaak niet laten om mensen hinderlijk te volgen, óók, of misschien wel vooral, als ze verdriet hebben; in rouw zijn. Zij proberen hen juist te volgen waar ze ook gaan of staan, terwijl de mensen nu net op dié momenten graag de eenzaamheid willen zoeken. Het valt mij altijd weer op hoe rustig de hotemetoten er onder blijven. Je zou zeggen: ze halen je in zo’n stresssituatie het bloed onder de nagels vandaan.
Maar toen Jezus uit de boot stapte en de menigte zag, kreeg hij juist medelijden met hen en maakte de zieken weer beter. Jezus beseft namelijk dat de mensen niet gekomen zijn om hem lastig te vallen, maar om van hem een teken te krijgen. Zij hebben het op dat moment namelijk óók moeilijk. Natuurlijk: ook zij zullen immers wel verdriet hebben om de moord op Johannes. En Jezus wordt daarom dus helemaal niet boos als ze hem nog niet eens heel even alleen kunnen laten. Nee, hij die verdriet heeft om de dood van zijn vriend, moet andere mensen troosten.

Hij die graag even alleen had willen zijn, blijft ook in zijn eigen moeilijke momenten helemaal beschikbaar voor de anderen. Daar kunnen wij nog wat van leren.

Maar als het dan wat schemerig wordt, dan komen de discipelen naar Jezus en zeggen hem: `Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg;  laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.` De discipelen vinden dat de mensen weggestuurd moeten worden maar Jezus moet ze die boodschap maar overbrengen. Dat komt wel vaker voor –  dat mensen niet zélf het slechte nieuws willen brengen, maar een ander daarmee opzadelen. `Ik?  Nee hoor, ik heb niks gezegd! Hij daar, Jezus, hij zegt dat jullie moeten vertrekken!` Maar Jezus leent zich daar niet voor. Hij reageert rustig: “Zij hoeven niet weg; geven jullie hun maar te eten.”
Daar sta je dan – met vijf broden en twee vissen. Je denkt niets te hebben, ten opzichte van zo’n grote menigte, en toch krijg je de opdracht om voor de oplossing te zorgen. De vraag die we hierbij kunnen stellen is waarom ze zelf eigenlijk niet die oplossing hebben aangedragen. Ze wisten toch dat Jezus wel vaker wonderlijke dingen had gedaan. Waarom zeiden ze niet tegen hem: “Het is al laat; wij moeten die mensen te eten geven!” Nee, zij foeteren op de wereld  maar spannen zich er niet voor in om die beter te maken. Zij klagen over misstanden maar ze doen er zelf niks aan. Gemakzucht leidt hen; of eigenbelang. “Laat de mensen toch vertrekken; wij hebben hier niks;  alleen maar vijf broden en twee vissen!”

Er is in tweeduizend jaar maar bar weinig veranderd. Wij kennen dat ook: dat mensen hier komen voor onderdak of eten, maar dan wordt er gezegd dat we zelf al bijna niet genoeg hebben. Bovendien komen er volgens sommigen al te veel mensen hierheen. Nederland is vol !

De discipelen willen de mensen wegsturen naar hun eigen dorpen en steden. “Laat ze naar hun eigen land teruggaan!” Ook die uitdrukking is ons niet vreemd. Er zijn politieke partijen die daar garen bij spinnen.

“Wij hebben maar vijf broden en twee vissen!” Dat was het gewone dagelijkse voedsel van de mensen daar. Maar het gewone, kleine, nietige, het onooglijke, dat is voor Jezus altijd belangrijk geweest; zo ook hier. “Breng ze mij”, zei hij. Jezus laat zich niet gebruiken voor het brengen van slecht nieuws. Hij stuurt de mensen niet weg, nee, hij brengt het evangelie, dat is de goede boodschap! En dat is niet alleen zijn bijbeltje met mooie teksten. Nee, dat is ook letterlijk het brood voor de mensen die honger hebben. Daarom moeten de discipelen alles brengen dat voorradig is: de vijf broden en twee vissen. Zij worden zo dus ingeschakeld bij het werk van Jezus,  bij het koninkrijk van God.

Ook van ons wordt niet alleen een kleine bijdrage gevraagd om aan de wereld te werken, maar ons gehele bestaan – ons hele hebben en houden is ermee gemoeid. Het is als met het manna; we mogen ervan genieten, want we krijgen elke dag voldoende om van te leven. De leerlingen gaven het brood en de vissen aan Jezus;  hij sprak het zegengebed uit en brak het brood. Toen gaf hij het aan de discipelen terug. En zij konden gaan delen. Met het gewone, het kleine, nietige, onooglijke dat ze hebben, kunnen ze grote dingen doen. Zij delen het brood uit, iedereen eet ervan en er blijven nog twaalf manden over, zoals er een volle omer manna bewaard werd voor de volgende generaties. Dat er zoveel overblijft, verwijst naar de overvloed van het koninkrijk van God. In dat koninkrijk is delen namelijk vermenigvuldigen.

Kijk, de discipelen dachten niets te kunnen doen aan zo’n grote massa mensen die honger heeft. Zij hadden blijkbaar te weinig vertrouwen in de eigen mogelijkheden én ook in die van Jezus. Maar de mensenmenigte had dat vertrouwen blijkbaar wel ! Zij bleven maar bij Jezus terwijl ze geen eten bij zich hadden. Maar het blijkt dat de discipelen met het kleine beetje dat ze hebben, met behulp van Jezus, grote dingen kunnen doen. Zij delen uit wat ze hebben en halen later zelfs nog grote restanten op. Ook wij moesten er maar eens wat meer vertrouwen in hebben dat we met onze beperkte mogelijkheden in staat zijn een flinke bijdrage te leveren aan het verbeteren van de wereld. Met onze handen kunnen wij troosten of kunnen wij mensen uitnodigen die door anderen worden afgeschreven. Met onze benen kunnen wij mensen tegemoet gaan die de drempel om naar ons te komen bijna niet durven te nemen. Met onze vingers kunnen wij brieven schrijven voor Amnesty International, nee kunnen wij brieven schrijven voor de mensen die in de gevangenis zitten

omdat ze het niet eens zijn met hun regering. Met onze vingers ook

kunnen we een stem – een goede keuze ! – uitbrengen in het stemhokje bij verkiezingen. Met onze mond kunnen wij opkomen voor mensen die monddood worden gemaakt. Met onze oren kunnen wij aandacht hebben voor mensen waarvoor nooit een luisterend oor is,  maar die juist aan de rand van de maatschappij moeten leven.
Met ons hele bestaan kunnen wij meer voor anderen betekenen dan wij soms denken. Wij hebben vaak een veel te lage dunk van onze eigen mogelijkheden. Bovendien gebruiken wij dat ook wel erg selectief en inconsequent. Als er te weinig mensen zijn om vuile arbeid te verrichten, dan halen we ze wel uit Turkije, Marokko of Oost-Europa. Hebben we te maken met maatschappelijke onrust dan is Nederland plotseling vol !

Het gaat uiteindelijk om onze grondhouding: hoe staan wij in het leven? Zijn we als de discipelen die niet weten wat ze ermee aan moeten en de mensen weg willen sturen? Zijn wij dus bang dat we er zelf slechter van worden als wij anderen de hand reiken? Of kunnen we een houding aannemen zoals Jezus deed? Dat is: zien wat we met de beschikbare middelen en mogelijkheden kunnen doen om zoveel mogelijk mensen een goed leven te bezorgen. Het gaat er immers om dat we de zegeningen

die wij gekregen hebben en nog dagelijks krijgen, dat wij die ook willen en kunnen delen met anderen. Zoals Jezus dat zijn hele leven deed, tot de dood erop volgde.

Zo geeft dit bijbelgedeelte ons een les in de manier waarop we iets voor anderen kunnen betekenen. Maar  –  dat is niet de enige les van vandaag! Nee ! Tot nu toe zijn we als discipelen door het verhaal heen gestapt. Maar als volgelingen van Jezus kunnen we onszelf niet alleen vergelijken met de discipelen. Wij mogen ook de mensenmassa zijn die achter Jezus aan gaat – tot in de woestijn – zonder ons druk te maken over ons leven, hoe we ons zullen voeden of kleden. Want we mogen erop vertrouwen dat God die door Jezus voor de mensen zorgde, dat die God ook wel voor ons zal zorgen. Ook wij kunnen erop vertrouwen, dat God die Jezus de kracht gaf, dat die ook ons wil helpen om mee te delen in het koninkrijk van God.

Het zou mooi zijn als wij beide kunnen ervaren: De les dat we proberen in onze daden Jezus na te volgen, ook al denken we niet voldoende in handen te hebben. Maar ook de les om ons over te geven en de ontferming te ervaren, het brood tot ons te nemen om daarna, gesterkt en in vertrouwen, de wereld in te gaan om daar uit te delen van onze zegeningen. Want, het teken dat de mensenmassa verwacht komt niet alleen van Jezus. Hij geeft juist de apostelen en dus ook ons de opdracht

om het teken te laten zien. Wonderen gebeuren nog elke dag, vooral als wij ze maar willen doén!

Tenslotte  –   is er ook nog de verbinding met Jezus zélf. Hij zegt in Johannes 6: Ik ben het brood dat leven geeft. Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben. En daarbij moeten wij natuurlijk niet denken aan een lege maag, maar aan de leegte die mensen in hun leven kunnen ervaren. De leegte van hebben en nemen; de leegte van macht en bezit. De leegte van een leeg en doelloos leven. Zij kunnen krijgen wat ze echt nodig hebben – want Jezus deelt uit. Hij deelt uit van zijn liefde en zorg –

zodat wij – als zijn volgelingen – daarvan ook weer verder kunnen uitdelen. Het is niet de bedoeling dat mensen gebrek lijden op aarde, maar dat ze juist goedheid en vrede, bevrijding en liefde ervaren. Jezus heeft laten zien hoe het zou moeten, namelijk door te delen van wat we zelf al hebben. Jezus brák het brood maar liet het delen aan ons, zijn discipelen, over. Maar ook deelde hij later zichzelf uit. Hij volgde consequent zijn eigen levensinstelling, met de dood tot gevolg.
Breken van brood, het zegenen en het delen – het zijn dezelfde woorden in ons verhaal als later bij het laatste avondmaal, waar Jezus zal zeggen: Zo moeten jullie het ook doen straks, als ik niet meer lijfelijk onder jullie ben: Delen met elkaar. Want delen wordt dan vermenigvuldigen.

Staan wij machteloos tegenover alle ellende in de wereld?  Nee ! Wij kunnen delen omdat wij leven in overvloed, omdat we al deel hebben aan het Koninkrijk van God. Laten we proberen de komende week te delen van wat we hebben. We denken dat het maar weinig is en niks voorstelt – maar er is zo’n behoefte aan. Het gaat immers niet altijd om de grote dingen. Het zijn juist vaak de kleine dingen die het verschil maken; slechts vijf broden en twee vissen. Het gaat om die uitgestrekte hand, dat schouderklopje, die glimlach. Het gaat er om dat wij mensen niet beoordelen op dat waarin ze van ons áfwijken, maar op de rijkdom die ze aan andere eigenschappen meebrengen. Het gaat er niet om dat wij mensen afrekenen op hun huidskleur, hun geloof, hun afkomst, hun geaardheid. Het gaat er om dat wij, als navolgers van Jezus, voor mensen door het vuur willen gaan, voor hen willen opkomen. Van ons wordt gevraagd ons geloof zichtbaar te maken in onze daden: daden van liefde, van vreugde, vrede, geduld en goedertierenheid. Zo willen wij leven: eenvoudig en klein, met twee lege handen koningskinderen zijn.