Preek van de week

Stiens – De Hege Stins, 5-7-2026,
Zacharia 9: 9 – 12 en Matteus 11: 25 – 30

De bekende Belgische psychiater Dirk De Wachter zei eens dat we leven in – wat hij noemt – “de illusie van de vrolijkheid”.  Hij komt in zijn praktijk één rode draad tegen en dat is eenzaamheid. De oorzaak daarvan is volgens hem, dat mensen vinden dat het leven altijd maar ‘leuk’ en aardig moet zijn. Vrolijkheid dus.
Maar het is een illusie dat alles altijd goed zal gaan en leuk is. Want, zo zegt hij, het leven is niet altijd een feest. Er zijn soms problemen met de ouders of met de kinderen, met de leidinggevende, de partner of met de gezondheid. En het bijzondere is dat we bij dergelijke, wat hij noemt, lastigheden, vooral ándere mensen nodig hebben om het vol te kunnen houden. Zelfs het gewone kleine verdriet dat niét gedeeld kan worden, ontaardt vaak in eenzaamheid en daarmee in een groot lijden.
Daarom zei De Wachter dat we elkaars psychiater zouden moeten zijn. Dat zou rust geven en veel ballast van mensen afnemen. Mensen zouden daardoor lichter door het leven kunnen gaan.

We gaan naar de lezing uit Matteüs. Eerst maar eens de tijd waarin Jezus dit zei. Onze tekst begint immers met: “In die tijd…” Welke tijd is dat? In het gedeelte direct voorafgaande aan wat we lazen, staat dat Jezus een verwijt maakt aan de steden Chorazin en Betsaïda dat ze niet tot inkeer waren gekomen, terwijl Jezus daar bijna alle wonderen had gedaan. Als je er bijna létterlijk bij staat en ziét wat er gebeurt en je komt dan nóg niet tot inkeer, dan is dat veelzeggend. Het probleem is dan niet onwetendheid, maar een zekere geslotenheid: men wil er niet door geraakt worden.

Ons verhaal speelt zich dus af in ‘die tijd’, de tijd dus dat mensen nergens vreemd van opkijken, zelfs niet van de meest wonderbaarlijke genezingen en dergelijke. Het is net alsof ze denken: “Ja, het zal wel met die wonderen, maar ik moet het allemaal nog maar eens zien. Die Jezus heeft verhalen over God en een betere wereld, maar zolang ik daarvan in mijn eigen leven niks merk, wat heb ik daar dan aan?”

Dergelijke mensen beredeneren álles, ook het geloof. En ze leggen daarvoor de meetlat bij hun eigen leven: “Als mijn leven wat langer en leuker wordt, ja, dán geef ik Jezus of God wel aandacht en kom ik wellicht tot inkeer. Maar als ik er zelf niets van merk: ach, wat zou het dan allemaal?”
“In die tijd” is dus de tijd waarin Jezus veel wonderen doet, maar mensen er niet door veranderen.

Vervolgens zegt Jezus dat hij God looft omdat God “deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen heeft gehouden”. Deze dingen. Het is niet direct duidelijk wat Jezus daarmee bedoelt. Het gaat in elk geval om de dingen waarop het aankomt. Waarschijnlijk doelt Jezus op de woorden die volgen in vers 27: “Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader…”
De spil waar alles om draait lijkt hier dus de Zoon te zijn, Jezus. Maar Jezus stelde zelf zijn hele leven in dienst van God. Dus kunnen we – met de theoloog Arnold van Ruler – ook zeggen: “Het draait om Jezus, maar het gaat om God.”

Dan zegt Jezus, dus in naam van God: “Kom naar mij en ik zal jullie rust geven, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan.” En Jezus wist tegen wie hij het deze woorden sprak. Niet voor niets deed hij zoveel wonderen. Er was immers veel kommer en kwel om hem heen.

Ach er lijkt in al die jaren weinig veranderd. Ook in onze tijd zijn er veel mensen vermoeid en belast. Een oud-collega die langdurig ziek thuis zat zei destijds tegen me, toen ik hem vroeg waar zijn burn-out vandaan kwam: “Waar ik moe van ben, Jan? Van 40 jaar leven! Dáár ben ik moe van!” Hij was moe van de wereld om hem heen waaraan hij zich niet kon en niet wilde aanpassen. En ja, dan word je als zonderling ervaren en vaak buitengesloten.

Mensen worden moe van de jachtige wereld, de wereld die doordraait en waar ze nauwelijks in mee kunnen komen. Vluchtelingen hebben zorg of ze morgen nog leven en onderdak hebben. Boeren hebben zorgen of er voor hen nog wel een toekomst is. Toeslagenouders vragen zich af of hen ooit recht gedaan wordt en sommigen zelfs of ze hun kinderen nog zullen terugzien. Jongeren maken zich steeds meer zorgen over het klimaat. Anderen hebben zorgen over zichzelf en hun toekomst; zorgen over de hypotheekschuld en de politieke ontwikkelingen; zorgen over de toestand in de wereld en …. of Nederland nog wel veilig is.

Veel mensen lijden aan dergelijke vermoeidheden en zorgen; ‘lastigheden’ zoals Dirk De Wachter die dus noemde. Ook vroeger hadden mensen dus al vergelijkbare zorgen. Tegen hen zegt Jezus: “Kom naar mij dan zal ik jullie rust geven.”

Maar wat houdt dat in, dat “kom naar mij”? Moeten we dat vooral ‘christelijk’ uitleggen. “Kom naar mij….” Is dat christen worden en je laten dopen en belijdenis doen? Is het drie keer per dag bidden en liefst elke week naar de kerk gaan? Is het de Bijbel goed kennen en naar gespreksgroepen gaan? Misschien, gemeente, misschien kan het dat betekenen.

Maar ‘naar mij komen’, naar Jezus of God komen, kan ook betekenen: je moet jouw zorgen niet de baas laten spelen over jouw leven. Immers: heeft er ooit iemand een jaar extra leven bij gekregen door over allerlei zaken zwaarmoedig te zijn? Wordt jouw hypotheekschuld kleiner als jij je zorgen maakt? Wordt Nederland veiliger als jij piekert over de situatie?

Naar God komen kan dus ook betekenen: het leven accepteren zoals het zich aandient; het kan immers niet altijd leuk en aardig zijn. Maar we kunnen wél proberen, waar dat noodzakelijk en mogelijk is, mee te werken aan verbetering, aan vrede en gerechtigheid. Er dus er het beste maar van maken.

Naar God komen betekent ook dat je je niet meer druk moet maken over zaken die je tóch niet kunt beïnvloeden, maar juist wél om zaken ten goede te laten keren voor zover je er wél invloed op kunt uitoefenen. Hier is het bekende Sereniteitsgebed van toepassing, toegeschreven aan Franciscus van Assisi; het luidt:
Geef me de moed om te veranderen wat ik kan veranderen.
Geef me de rust om te accepteren wat ik niet kan veranderen.
En geef me de wijsheid om het verschil tussen beide te zien.

Naar God komen is ook: je tot Hem richten; in de stilte, of samen met anderen, bijvoorbeeld tijdens een meditatie – in een klooster of in een bos. Het betekent dan zoiets als je mind-set veranderen: niet meer al je aandacht hebben bij problemen uit het verleden, of zorgen voor de toekomst; maar met aandacht leven in het hier en nu. Dát is dus: “Kom naar mij en ik zal jullie rust geven.”

En vervolgens zegt Jezus: “Neem mijn juk op je, want mijn juk is zacht.” Vaak wordt dat juk in een negatieve betekenis gebruikt, zoals het ‘juk van de bezetter’ of het ‘juk van de slavernij’. De associatie is dan iets dat knelt en zwaar is, iets dat je graag wilt afwerpen.
Maar een juk is oorspronkelijk juist een hulpmiddel om een zware last te dragen. Het verdeelt de last over beide schouder en helpt om het rechte spoor te houden in je leven. Zo willen de woorden die vandaag tot ons komen, niet knellen, maar juist helpen dragen.

In het evangelie heeft Jezus vaak kritiek op mensen die de wet aan anderen opleggen als een beknellend iets, waardoor die anderen de wet gaan ervaren als een zware last. Godsdienst, bedoeld om te helpen bij het leven, godsdienst wordt dan een knellend regime dat het leven zwaarder maakt, doordat het mensen neerdrukt in plaats van opricht. Steeds weer werd de mens erbij bepaald dat hij tekortschiet, zondig is, het niet goed doet en het ideaal niet haalt.
En we hoeven dat eigenlijk niet eens in de verleden tijd te zeggen; ook nu zijn er nog uitleggers die dat zo verwoorden, en daarmee mensen bang maken en juist van God laten wegdrijven.

Bij Zacharia lazen we dat God een koning is die gerechtigheid brengt, vrede sticht en gevangenen bevrijdt uit de put zonder water.
Dat kan de put zijn waarin we door anderen worden gezet, of waarin we zitten door eigen zorgen en gepieker.

Want voordat we naar anderen wijzen – naar de Farizeeën van vroeger of de Farizeeën van nu – moeten we ook bij onszelf te rade gaan. Welke last leggen wij onszelf vaak op: werkdruk, de overvolle agenda, druk, druk, druk… Onze ambities om een goede baan te krijgen of belangrijke posities in te nemen in het verenigingsleven.
Wat wij willen bereiken in dit leven kan immers zo’n last worden. Die lasten zijn dus niet alleen lasten die ons worden opgelegd, maar ook die we onszelf opleggen of laten opleggen.
En wat doet God hiermee? God wil die lastigheden van ons afnemen en er een passend juk voor teruggeven, als een soort hulpmiddel. Het komt eenvoudig neer op het: je toevertrouwen aan God.

Fundamenteel komt het wellicht neer op het loslaten van controle, zowel externe als interne controle. Ook het accepteren dat het allemaal niet alleen van onszelf afhangt, van óns inzicht, onze kennis, ons werk en ónze inspanning. Dat is voor veel mensen lastig, zo niet onmogelijk. Het leven moet maakbaar zijn, vindt men, en als dat teveel gevraagd is, dan moet het leven toch op z’n minst beheersbaar zijn. Anders ontstaan er angst en zorgen.

Jezus roept in ons gedeelte op om de controle uit handen te durven geven en te vertrouwen op God en te geloven dat het wel goed komt. Ons tekstgedeelte begon daarom met een lofzang: “Ik loof U, Vader, U hebt deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen gehouden maar ze aan eenvoudige mensen onthuld.” In eerdere vertalingen stond er niet ‘eenvoudige mensen’, maar ‘kinderen’. En dat past wellicht iets beter bij de context.
Volwassenen beredeneren nogal veel, ze kennen rationele bezwaren en hebben allerlei mitsen en maren. Volwassenen willen graag eerst zekerheid hebben. We willen weten hoe iets afloopt voordat we eraan beginnen. We zeggen: “Eerst moet ik zekerheid hebben over mijn gezondheid, mijn werk, mijn pensioen, de toekomst van mijn kinderen; dán zal ik rust hebben.” Maar die volledige zekerheid komt nooit.

Kinderen staan doorgaans open in het leven, ontvankelijk en onbevangen. Een kind durft nog eenvoudig te vertrouwen. Zij hebben het goede voor-oordeel dat het leven de moeite waard is, ook al overzien ze nog lang niet alles en ook al hebben ze lang niet alles onder controle. Een kind springt van een muurtje omdat papa of mama het wel opvangt.

En dat positieve vooroordeel dat een kind van nature vaak heeft, dat moeten wij – de zogenoemde wijzen en verstandigen – ons opnieuw proberen eigen te maken. En dát heet: geloven. Geloven betekent niet dat alle problemen verdwijnen of dat je alle zorgen uit de weg kunt gaan. Het betekent ook niet dat professionele hulp niet meer nodig is. Wél betekent het dat wij onze zorgen niet alleen hoeven te dragen, maar dat we ze mogen delen met God en met elkaar.
Dat wij onszelf gewonnen geven aan het bevrijdende bestaan.

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !