Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje

Warten, 12-5-2024
Deuteronomium 30: 11-20
Markus 5: 1-20

Ja, een typisch Paaslied na de overdenking. Het is jammer dat we dergelijke liederen bijna alleen met Pasen zingen. Want laten we eerlijk zijn: eigenlijk zouden we elke zondag, en misschien wel elke dag, Pasen moeten vieren; de Bijbel staat immers vol met opstandingsverhalen, al worden ze vaak niet op die manier benoemd en uitgelegd. Ook vandaag hebben we zo’n verhaal dat je een typisch Paasverhaal, een opstandingsverhaal, kunt noemen.

Vandaag is het Moederdag en Internationale Dag van de verpleging. Dat laatste is op 12 mei vanwege de geboortedag van Florence Nightingale, vandaag precies 204 jaar geleden in Florence. Ze groeide op in de betere kringen maar kreeg als tiener een ‘stem van God’ waardoor ze besloot niet het leven te leiden in die gegoede kringen, maar zich in te zetten voor zieken, armen en de strijd voor vrouwen. Nightingale legde de basis voor de moderne verpleegkunde.
In een verpleegsetting, of dat nu thuis is met thuiszorg of buurtzorg, of onderweg in de ambulance of ergens in een ziekenhuis of zorginstelling, waar dan ook: als patiënt geef je je helemaal over aan de verpleegkundigen. We hebben in die mensen vaak, net zoals – als het goed is tenminste – in de eigen moeder, een grenzeloos vertrouwen, ook als het gaat om zaken van leven of dood, omdat je zekerheid hebt over de bedoelingen van het personeel. De meesten van hen zien dat wat ze doen niet als ‘beroep’ maar als ‘roeping’. Als patiënten dat vertrouwen en die zekerheid niet zouden hebben dan zouden ze meer angst kennen en waarschijnlijk ook meer pijn ervaren. Net zoals de man in ons verhaal.

Jezus komt met zijn volgelingen in het land van de Gerasenen. Daar woonden niet-joden, heidenen, die varkens hielden, onreine beesten. In de bijbel is dat de taal voor het rijk van de duisternis. En ogenblikkelijk kwam er een onreine uit zijn hol, een wildeman. De man verblijft tussen de graven op de begraafplaats. Hij leeft dus waar geen leven is. Hij heeft zijn huis waar geen thuis is. Hij staat elke dag oog in oog met de dood, maar hij is veroordeeld om verder te leven. Veroordeeld, want dat leven van hem is on-leven; en zijn manier om met anderen in contact te komen is juist: dat contact zoveel mogelijk te vermijden. Als het erop aan komt dan lijdt deze man aan de mensen om hem heen, maar meer nog lijdt hij aan zichzelf. Tegenwoordig zouden we van zo iemand zeggen: het is een aso, een paria, een drop-out — een levende dode. Een mens zonder innerlijk houvast, zonder identiteit. Door de mensen om hem heen is hij gebruikt als zondebok, hij is door hen weggejaagd naar de rand van het leven, namelijk naar het kerkhof, dus naar het land van de dood.
De man waarover we het hebben, hij is innerlijk verscheurd. Hij is namelijk, zo staat er, bezeten door demonen. En dan moeten wij niet denken dat deze man ver van ons af staat. Want welke demonen komen wij tegen, of welke zitten er in onszelf? Hebberigheid, kwaadaardigheid, jaloezie, machtswellust en ga maar door. Maar als we deze man in gedachten hebben dan kunnen we ook denken aan mensen in psychische of sociale nood, mensen die zichzelf terugtrekken uit deze wereld of die door anderen worden buitengesloten.

Dag en nacht schreeuwt deze man om aandacht en stenigt hij zichzelf. Hij schreeuwt om hulp, maar als de mensen hem die willen geven, dan wil hij die niet aannemen, nee, dan slaat hij om zich heen, waarbij er ongekende krachten in hem naar boven komen. Dat wat hij het liefste wil, waar hij naar verlangt, daar is hij ook erg bang voor: de aandacht van de mensen om hem heen. Hij stenigt zichzelf, dat wil zeggen: hij neemt afstand van zichzelf. Hij vlucht voor ándere mensen, maar meer nog vlucht hij voor zichzelf.
En ook bij velen van ons spelen dit soort zaken zich wel af. Wij zijn niet tevreden met het leven dat we hebben, maar een echte confrontatie met onszelf durven we niet aan te gaan, bang als we zijn voor wat de gevolgen kunnen zijn. En zo zal het ook gegaan zijn met de mensen dáár: de Gerasenen. Ze binden hem vast met kettingen, maar blijkbaar niét zo,

dat de man zich niet meer kan bevrijden. Dat kan betekenen dat ze naar búiten toe wél, maar innerlijk juist niét willen dat hij weer beter wordt. Want nú kunnen ze hun onvrede en onrust op hém uitleven, maar als hij weer genezen zou zijn, waar moeten ze dán met hun frustraties heen? Dan zijn ze weer op zichzelf aangewezen.
De mensen komen met kettingen en boeien op hem af alsof ze duidelijk willen maken: wij willen jou best helpen maar dan zul jij je moeten aanpassen en je verstandig gedragen. Maar de man is al gebonden en opgesloten, namelijk in zichzelf. Veel mensen zouden hem misschien niet eens meer als ‘mens’ typeren, maar als ‘een casus’, een bespreekgeval.

Maar dan….. hij loopt Jezus tegemoet en, zoverwachten we dan, hij vraagt om beter te worden. Maar hier niet! Deze man is zó gewend aan zijn on-leven, dat hij vraagt: ”Pijnig mij niet!” Hij durft de confrontatie met zijn eigen ik dus niet aan te gaan. Hij blijft liever zitten in de hel die zijn leven is: “Help mij niet!” Wij zongen zopas nog: “Wek mijn zachtheid weer” maar deze man lijkt niét te willen veranderen, niet zacht te worden; en hij wil zéker niet zijn imago van wildeman kwijt. Het is daarmee een tegendraads verhaal! Deze zieke heeft zijn ziekte nodig: hij is er afhankelijk van geworden. Hij is dan misschien wel hang voor zijn ziekte, maar hij ziet er nog meer tegenop om ervan bevrijd te worden; want dan valt de hele structuur uit zijn leven weg en is hij volledig op zichzelf aangewezen. Hij is dus bang om aan genezing te werken, om weer beter te worden. Hij wil geen Florence Nightingale of Jezus die hem willen genezen.
En dat is wellicht niet zo onlogisch, want om te herstellen moet je inderdaad vaak eerst door een hel. Mensen die in therapie geweest zijn, die weten daar alles van. Je komt met een probleem hij de therapeut, maar voordat je van het probleem af bent moet eerst alles wat jou knecht en knoeit uitgedreven worden en dat moet je dan dus eerst allemaal verwerken. Veel van dergelijke problemen hebben te maken met angst,

angst voor jezelf en angst voor de mening van anderen. Sören Kierkegaard, de Deense filosoof, schreef: Mensen zijn niet alleen bang omdat ze zondig zijn, maar als het erop aan komt zijn mensen zondig omdat ze bang zijn en daardoor niet zichzelf zijn. En zo is het vaak: mensen durven de eigen waarheid niet te leven uit angst voor de mening en reacties van anderen, of van God.
De confrontatie met Jezus brengt de man opnieuw aan het twijfelen. natuurlijk, want iemand die geleerd heeft zichzelf met stenen te slaan, zal iemand die hem vriendelijk tegemoet treedt niet liefhebben, maar haten!
Iemand die voor aandacht vlucht, zal nieuwe aandacht met razernij beantwoorden. Iemand die leeft met en bij de dood, zal degene die hem wil leren het leven te omarmen, niet accepteren.
En dan staat er dat Jezus al had geprobeerd de onreine geest uit de man te verdrijven. En wij maar denken dat bij Jezus altijd alles kan? Hier dus niet. Het lukte Jezus die eerste keer niet! Een tegendraads verhaal…En de man had blijkbaar gemerkt dat Jezus had geprobeerd hem te helpen en kwam daarom naar Jezus toe om te smeken hem niét te helpen. Jezus moet de man helpen …..juist door hem niét te helpen! Nog maar eens: een tegendraads verhaal! Het vooruitzicht op bevrijding, ervaart de man als een aanslag op zijn leven. Eerst was hij veroordeeld tot een bekneld en vastgebonden leven. Nu lijkt het er op dat hij – om met de filosoof Sartre te spreken –veroordeeld wordt om vrij te zijn. Daarom heeft Jezus moeite hem te genezen.
En dan vraagt Jezus de man naar zijn naam, in Israël de manier om te vragen wie iemand eigenlijk is als mens. Dat is opnieuw een therapeutische invalshoek; de vraag: wie ben jij werkelijk? Wat leeft er in jou? De man hoeft zich niet af te vragen wat hij moet doen of wie – of waarin hij – moet geloven. Nee, de vraag is heel eenvoudig: wie ben je werkelijk zelf?  Niet uitgaande van verwachtingen die anderen van jou hebben en rollen die anderen jou in het leven opdringen. Nee, niet: wie moét je zijn, maar: Wie bén je? Maar uit het antwoord blijkt dat de man nog geen eigenheid heeft, nog geen eigen ik. Hij noemt zichzelf “Legioen”, want ze zijn met vele.  “Legioen! Legioen! Ik ben verscheurd! In mij is het een hel! Ik weet niet wie ik ben. Ik ben gevormd door een serie complexen.”

Is ‘tniet zo, dat we onszelf daarin wel kunnen herkennen? Alleen komt het dan vaak in wat andere gedaanten naar buiten. Ook wij kunnen verscheurd worden. Ook wij hebben vaak verschillende levens in onszelf. Hoe vaak horen anderen niet in ónze uitspraken, juist onze vader of moeder spreken, onze leidinggevende of collega, onze onderwijzer of dominee? Zijn wij wel onszelf in het leven, of hebben wij onszelf in de boeien geslagen van anderen? Tegelijkertijd zien wij die anderen ook wel vaak als bedreiging. Zij laten vaak merken dat wij geen eigen leven hebben, dat wij het leven van die anderen leven! Dat we niet dicht hij onszelf kunnen komen. Dat we niet léven, maar geleefd wórden!
Jezus, zo laat de man weten, Jezus praat met het legioen in hem. Met de vader, de onderwijzer, de dominee, en ga zo maar door. En, net zo als in een therapie, moet eerst alles met elkaar botsen en uitgedreven worden. In ons verhaal gebeurt dat door de demonen in de varkens te jagen. Onreine geesten horen in onreine beesten. Niét de zondebok, wat de mensen van de man hebben gemaakt, maar de demonen worden – in de varkens – over de rots gekieperd. In tweede instantie is Jezus de demonen wel de baas. Jezus is immers tóch machtiger dan de duistere machten.
Het volk uit Gerasa vindt het maar niks en ervaart dit hele gebeuren als een bedreiging. De man die door hén geboeid werd en aan de ketting gelegd, die wordt door Jezus van zijn complexen bevrijd. Het volk benaderde hem al jarenlang op hun eigen manier en dacht hem zó te kunnen helpen. Maar de wáre hulp komt van Jezus. Het volk koos partij voor de demonen in de man — Jezus voor de man zelf: wie    ben    jij? Wie ben jij zelf?

Nu Jezus de man van de demonen heeft bevrijd, is het volk haar zondebok kwijt en worden ze met zichzelf geconfronteerd. Ze zoeken daarom een nieuwe zondebok en vinden die in Jezus. Dus dringen ze er hij hem op aan hun land te verlaten. En zoals dat altijd gaat bij de verhalen in het Nieuwe Testament, vraagt de man aan Jezus of hij met hem mee mag gaan. Maar, en dat kan eigenlijk niet anders in dit tegendraadseverhaal: altijd mag degene Jezus volkgen, maar hier niet! Jezus wil niét dat de man die nu bevrijd is van allerlei banden, opnieuw gebonden wordt gedwee achter Jezus aan te lopen. De man mag niet opnieuw afhankelijk worden! Hij is eindelijk vrij en moet dat laten blijken aan de mensen die meenden hem aan de ketting te hebben. Hij was een uitgestotene, maar moet zich weer laten opnemen in zijn eigen gemeenschap. Hij had geen thuis maar krijgt er één van Jezus. En dat is dit keer dus niet zoals anders: Volg mij!, maar het is hier: neem de voor jou bedoelde en bestaande plaats in de wereld in. Wees degene die je aan het worden bent!

Eerst bestond de man uit tegenstellingen: hij is eenzaam, maar noemt zichzelf Legioen; hij stenigt zichzelf, maar vraagt aan Jezus: pijnig mij niet! hij loopt naar Jezus en valt voor hem neer, maar hij zegt dat hij niets met Jezus te maken wil hebben. Allemaal elementen van een tegendraads verhaal! Tegenstellingen. De man was dan ook in zichzelf verscheurd. Maar Jezus zorgt ervoor dat hij weer een eenheid wordt. En tenslotte vraagt Jezus hem om God te loven en te prijzen. Maar de man looft en prijst juist Jezus, de man die hem een echte vraag had gesteld: Wie    ben    jij?  En eerst kon hij alleen maar zeggen: ik, ik weet het niet — ik ben zoveel tegelijk.  Maar Jezus geeft hem zijn identiteit, zijn eigenheid, weer terug; hij kan zichzélf worden.  

Wat wil dit verhaal ons duidelijk maken? Wij begrepen al dat het een tegendraads verhaal is. Maar daardoor is het niet een minder bijbels of minder ‘waar’ verhaal. Ook aan ons wordt immers de vraag gesteld: wie ben je echt zelf? Zijn we onszelf in het leven, of worden we in beslag genomen door anderen of door andere dingen? Hebben we een eigen persoonlijkheid ontwikkeld of zijn we nooit de kindsheid ontgroeid en doen en denken we omdat anderen zodoen en denken? Zijn wij wel echt vrij van binnen? Of worden we geknecht door, jaloezie, machtswellust, egoïsme of hebberigheid? Want ook van bezit kun je bezeten raken…..

Laten wij door God dergelijke demonen uit onszelf uitdrijven of zijn we liever niet onszelf en zeggen wij: help mij niet! De man die steeds leefde tussen de graven op de begraafplaats — hij wordt de gemeenschap in gestuurd. Die opdracht hebben wij ook! Jezus’ opstanding van Pasen moet ook voor óns bevrijdende betekenis hebben in ons eigen leven. Ook aan ons is daarom de opdracht, zoals we lazen in Deuteronomium, om uit ons doodse bestaan op te staan en te kiezen voor het leven: Al wat ten dode was gedoemd mag nu de hoop herwinnen. Voor mensen die zich terneergeslagen voelen, voor hen die moeite hebben zichzelf te zijn, heeft Jezus in dit verhaal laten zien dat het de moeite waard is om te werken aan geloof en vertrouwen: Wie ben ik werkelijk zelf ? We mogen er namelijk van God zijn zoáls we zélf zijn !!  De uitdaging is dus: Kom uit het graf dat u omsluit; kom uit, en wordt geboren !

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.