Columns 2022

Aan-denken, 3-11-2022

Onlangs las ik een citaat van Jón Kalman Stefánsson, een IJslandse auteur. Hij schreef dat dingen die een blijvend effect op je hebben “je zó diep kunnen raken dat ze in de genen worden geperst, vervolgens van generatie op generatie worden doorgegeven en zodoende degenen vormen die nog niet geboren zijn.”
Dus ook “leven sommigen van ons verder, lang nadat wij zijn verdwenen.”

November is de maand van gedenken: Allerzielen, lichtjesavonden en Eeuwigheidszondag, ze staan allemaal in het teken van het herdenken van onze overleden dierbaren. Bij dergelijke herdenkingen realiseer ik me telkens dat ik mede gevormd ben door mijn voorouders. Bij het schrijven van een boek over mijn stamboom kwamen zaken naar boven die dat bevestigen: karaktertrekken, gevoeligheden en dergelijke, die herleidbaar zijn naar voorouders ‘tot in het vierde geslacht’ en nóg eerder. Stefánsson schreef: “Het verleden zit dus altijd in ons. Het is een onzichtbaar, geheimzinnig continent dat je soms in half-wakkere toestand tegenkomt. Een continent met bergen en zeeën die een constante invloed hebben op het weer en de lichtstralen in je binnenste.”
Ons lichaam is, zo las ik ergens anders, een bibliotheek vol herinneringen; herinneringen aan ervaringen die je opdeed. Maar óók ervaringen van onze voorouders zitten in dezelfde bibliotheek.
Naast aandenkens aan mijn voorouders in de vorm van foto’s, een ring, brieven en dergelijke, draag ik dus ook in mijn innerlijk, in mijn ziel,  aandenkens aan hen mee.
Die aandenkens kunnen verschillende gevoelens oproepen, al naar gelang de impact. Ze hebben invloed ‘op het weer’ in mijn binnenste. Dat geldt voor de vreugdevolle belevingen zoals intens geluk, maar ook voor vervelende ervaringen. Daarbij heeft het geen zin om te vechten tegen mist of storm of onweer in jezelf. Als je je realiseert dat sommige dingen in je genen zitten en gebaseerd zijn op het leven en de ervaringen van je voorouders, dan besef je dat ook zij worstelden met dezelfde ongemakken.

Wel kan de bewustwording, van terugkerende negatieve patronen, je aanzetten deze aan te pakken. Daarmee ontdoe je jezelf en de volgende generaties van rugzakjes die alsnog verwerking zoeken via jou en/of je kinderen. Dan resten hen hopelijk alleen positieve aan-denkens.

Zondaars (8-9-2022)

Zondag gaat het in veel kerken over verloren zaken: een schaap en een munt (Lucas 15). Eigenlijk hoort ook het verhaal over de verloren zoon in dit rijtje thuis. Het is namelijk onderdeel van een eenheid. Lucas ziet die trits als één gelijkenis. Hij bouwt ook de spanningsboog om dat trio heen: het schaapje is er eentje van honderd, de munt eentje van tien en de verloren zoon eentje van twee. Het verhaal bouwt zo naar een climax. En dat geldt ook voor de manier waarop de zoekers met het verlorene worden herenigd. De herder moet er op uittrekken om het verloren schaap te zoeken. De vrouw, die een munt kwijt is, kan thuisblijven en hoeft alleen het huis maar schoon te vegen; en de vader van de ‘verloren’ zoon hoeft helemaal niets te doen: de zoon keert namelijk uit zichzelf weer terug naar huis. Dat die zoon zelf uiteindelijk terugkomt geeft dat verhaal een emotionele aansprekende thematiek. Dat komt ook wel terug in tranentrekkende verhalen bij het televisieprogramma Het Familiediner van de EO.
Als in het verhaal het ene schaap en de ene munt teruggevonden zijn en de eigenaars blij zijn, vertelt Jezus de plot, en dat is dat er evenzo in de hemel vreugde is over één zondaar die tot inkeer komt.
De farizeeën en schriftgeleerden aan wie Jezus deze gelijkenis(sen) vertelt, dachten dat Jezus met die ‘zondaar’ de tollenaars en zondaars op het oog had die hem volgden om naar zijn verhalen te luisteren. Want zelf voelen de farizeeën en schriftgeleerden zich de trouwe kudde die niet wegloopt van de herder. En die neiging hebben wijzelf misschien ook wel.
Maar mógen wij ons wel aanmerken als de trouwe kudde? Trouw aan het evangelie? Of kan het ook zo zijn, dat wij juist dáárdoor lijken op Farizeeën en schriftgeleerden omdat ook wij ons vaak beter voelen dan de zogenoemde tollenaars en zondaars in onze maatschappij? Immers: hoe praten wij over criminelen, oplichters, helers, belastingontduikers, asielzoekers en demonstranten?
De daarom misschien wel belangrijkste uitspraak in de Lucastekst komt van de farizeeën en schriftgeleerden en gaat over Jezus: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”

Humaan christendom (21-7-2022

Onlangs stond op het oecumenisch leesrooster het verhaal over de Barmhartige Samaritaan centraal. Deze fictieve persoon, door een wetgeleerde geassocieerd met ‘ongelovig’, loopt volgens het verhaal van Jezus niét met een boog om een beroofde en mishandelde man heen, maar helpt hem juist. Dit in tegenstelling tot de priester en de Leviet, die op grond van hun eigen invulling van geloven op basis van een letterlijke Bijbelopvatting, meenden die berooide en halfdode man niet te mogen aanraken.

Hier zijn we beland bij de kern van het verschil tussen de van-kaft-tot-kaft gelovigen én de mensen die menen dat onze (menselijke) verantwoordelijkheid tot een andere keuze zou moeten leiden.

Dit is ook de boodschap die Dirk van de Glind naar voren brengt in het juninummer van het blad Volzin, onder de titel ‘God wil het!? Van theologische onderwerping naar menselijke verantwoordelijkheid.’

Hij betoogt dat theologen van diverse signatuur eeuwenlang hun stempel hebben gedrukt op ‘geloven’. Enkele zinsneden uit het artikel: Kerkelijke leiders vertelden het volk wel wat het geloof en de christelijke levenswandel inhield. Geloven betekende eeuwenlang vooral het aannemen van de dogma’s van de eigen kerk. De focus heeft eeuwenlang gelegen op gehoorzaamheid en het dienen van God. Meer dan ooit zal het nu moeten gaan om de vraag wat de ménselijkheid dient.

De vraag die zich namelijk aandient is wat ‘dienen van God’ inhoudt. Is dat het prijzen van zijn naam, of het besef dat je als zondig mens bent geboren en ook zo zult sterven? Is het het instemmen met de door theologen opgestelde geloofsbelijdenissen?

Van de Glind schreef: ‘Het is veelzeggend dat Jezus zelf nooit een theologie ontworpen heeft, of in duidelijke formuleringen schriftelijk heeft samengevat….Hij maakte zich geen zorgen over het naleven van welke leer dan ook, maar riep mensen op te leven in dienende en kwetsbare liefde….Geloof had bij hem niet de kleur van gehoorzamen, maar van vertrouwen, ook in de eigen humaniteit.’

Dominee Bähler, predikant in Oosterwolde (1902-1909) schreef: ‘Christendom is Christusdom….Is Christendom niets méér dan humanisme?’ Antwoord: ‘Niets minder dan dat’, En: ‘Is het beste humanisme niet het humanisme van de Godmens? Antwoord: ‘Dát nu is het Christendom.’ Amen.

Titus (19-05-2022)

De laatste tijd ben ik zo nu en dan weer druk met mijn stamboom. Dit met het doel om over enige tijd een boek te maken zodat mijn (klein)kinderen kunnen zien uit welk nest ze komen. Het wordt een boek waarin naast alle namen, geboorte-, huwelijks- en overlijdensdatums, ook verhalen worden opgenomen over het wel en wee van mijn (voor)ouders. Het is fascinerend om zo gaandeweg een steeds completer beeld te krijgen van mijn roots.
Een mooie ontdekking was voor mij dat mijn naam teruggaat naar ca. 1690 toen Jan Koops, toen nog  Coobs, geboren werd als zoon van Coob Jans(en). Via vernoeming van vader op zoon of door naar een oom vernoemd te worden heb ook ik uiteindelijk die naam van mijn ouders gekregen.
Dat vind ik waardevol omdat zodoende mijn voorouders in ere blijven die hun best deden, natuurlijk met vallen en opstaan, hun kinderen letterlijk en figuurlijk te doen groeien in het leven.

Afgelopen zondag werd Titus Brandsma heilig verklaard. Nu heb ik weinig met heiligverklaringen, maar des te meer met de boodschap die Titus Brandsma uitdroeg. Centraal in zijn mystiek staat het concept van “de mens als beeld van God”. Ergens las ik: De mens wordt uit God geboren; en mystiek houdt in, zó te leven dat God uit óns geboren wordt.
Volgens Brandsma kan de mens beeld van God zijn als hij of zij leeft vanuit liefde. De erfenis van Titus is zijn boodschap van onvoorwaardelijke liefde voor ieder mens afzonderlijk, en voor alle mensen zonder uitzonderingen. Prachtig!

Maar waar ik eigenlijk wat mee zat, was het feit dat Titus eigenlijk Anno Sjoerds Brandsma heette. Toen hij 17 jaar was trad hij in bij de karmelieten waar hij de kloosternaam Titus aannam. Ik begreep wel dat hij daarmee duidelijk maakte dat hij, door een aan God gewijd leven te beginnen, als het ware een nieuwe identiteit kreeg. Maar om daarmee de naam, die jouw ouders je meegaven, op te geven?
En wat blijkt: Anno Sjoerds vader en moeder heetten Titus en Tjitske. Wat een prachtig eerbetoon. Als hij nu geleefd had zou hij vast Titus Tjitte als kloosternaam hebben aangenomen.

WWJD (24-03-2022)

WWJD was de in de jaren ’90 bekende afkorting voor What would Jesus do? – Wat zou Jezus doen? De tekst was bedoeld om met name jongeren te inspireren zich bij belangrijke keuzemomenten steeds af te vragen ‘Wat zou Jezus doen? En dan: Nou, doe dát dan!’
Een volgens mij ‘fout’ kinderliedje van vroeger beklemtoonde dat idee: ‘Ik wens te zijn als Jezus, zo need’rig en zo goed; Zijn woorden waren vriend’lijk, Zijn stem was altijd zoet.’ Ik noem dit een fout liedje omdat het suggereert dat Jezus altijd nederig was met altijd een vriendelijke stem. Nou, zo nederig was hij niet altijd en toen hij de geldwisselaars uit de tempel bonjourde, toen was zijn stem vast niet zoet.
Het probleem met dit soort versimpelingen is dat ze de indruk wekken dat Jezus in één blik gevangen kan worden, dat hij eenduidig was in zijn optreden. Dat was echter niet het geval.

De slogan ‘Wat zou Jezus doen?’ wekt de indruk dat je, bij alle keuzes die je moet maken, heel eenvoudig die vraag aan jezelf kunt stellen en dan automatisch op het juiste antwoord komt. Ook dát is echter een illusie. Daarvoor is het leven te complex.
Afgelopen zondag was Thomas Quartier bij Jacobine op zondag. De Theoloog des Vaderlands had een uitdagende benadering van de vraag hoe wij hebben te reageren op de inval door de Russen in Oekraïne. Zijn stelling was dat je geweld niet met geweld moet beantwoorden omdat dat leidt tot nog meer bloedvergieten. Quartier denkt waarschijnlijk dat ook Jezus zo zou hebben gereageerd. Maar het was Poetin zélf die Jezus citeerde uit Johannes 15: ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.’ Poetin doelde op zijn soldaten waarvan er al velen sneuvelden.
Het Westen staat voor een duivels dilemma: wél of niet ingrijpen? Heeft zij iets aan de slogan (betekent letterlijk: oorlogskreet!) WWJD? Kiest ze dan de Jezus van het toekeren van de andere wang, of de Jezus die de tempel leeg veegde? Laten we maar klein beginnen, opdat wij ‘de mensen blijdschap geven en vredestichters zijn. Geef vrede, Heer, geef vrede.’ (NLB lied 1010).

Gasten (27-01-2022)

Het kan niemand zijn ontgaan: op de Middellandse Zee en op de stranden van Italië en Griekenland spelen zich hartverscheurende taferelen af. Veel te veel mensen op gammele boten die denken hun heil in Europa te kunnen vinden. En dan komen ze eindelijk aan de grenzen van Europa of zelfs tot in ons land en dan wacht hen jaloezie, onbegrip tot zelfs soms brute weerstand.
Een vriend van me zag parallellen met de vreemdelingen bij Lot.

Even de Bijbelkennis (Genesis 19) wat opfrissen:  Er komen drie gasten bij Abraham, naar later zal blijken zijn het de Heer en twee engelen.  Ze zeggen Abraham dat hij en zijn vrouw Sara, beide al flink op leeftijd en kinderloos, alsnog een zoon zullen krijgen.
Nadat Abraham vervolgens met de Heer heeft onderhandeld over het wel of niet verwoesten van de goddeloze steden Sodom en Gomorra, gingen de beide andere mannen naar Sodom om er op het plein te overnachten. Daar zat Lot. Hij was een neef van Abraham en ook een vreemde in die stad. Hij nodigde de mannen uit bij hem thuis de nacht door te brengen. Eerst weigerden ze, maar op Lots aandringen gingen ze met hem mee en hij verzorgde een maaltijd voor hen.
Maar nog voordat de gasten gingen slapen kwamen mannen uit de hele stad naar het huis, misschien wel met fakkels: ‘Stuur die mannen naar buiten. Dan kunnen we ze eens lekker pakken.’ Lot wilde zelfs zijn twee nog maagdelijke dochters aan de bedreigers aanbieden, maar het was het volk te doen om de vreemdelingen.
De twee vreemdelingen zorgden dat Lot en zijn gezin veilig buiten de stadsgrenzen kwamen. En vanuit zijn onderduikadres in het stadje Soar zag Lot dat Sodom en Gomorra door vuur werden verwoest.

Er is ten opzichte van dit oude verhaal weinig veranderd. Vreemdelingen wacht jaloezie, onbegrip en soms brute weerstand. Ook al doen ze nóg zo hun best, ook al hebben wij ze nu en straks dringend nodig, ze worden met Argusogen bekeken.
Het wordt tijd dat wij in gasten ‘de Heer en engelen’ gaan zien. Anders kon het nog wel eens slecht met ons land aflopen.