
Oldeberkoop, 29-9-2026,
Matteus 21: 23-32
Soms zeggen we iets heel gemakkelijk: “Ja, natuurlijk.” “Daar ben ik voor.” Of “Dat spreekt toch vanzelf?” Maar tussen ja zeggen en ja doen kan een wereld van verschil zitten.
Dat geldt voor allerlei dingen. Voor de zorg voor een ander. Voor vergeving. Voor recht en gerechtigheid. En ook voor vrede.
Vandaag eindigt de Vredesweek met als thema: ‘Niets doen is geen optie.’ Daar zit eigenlijk een heel eenvoudige gedachte achter: vrede begint niet bij mooie woorden alleen. Vrede vraagt iets van ons. Een luisterend oor. Een sprekend hart. Een uitgestoken hand. De bereidheid om een ander niet meteen af te schrijven. Soms vraagt vrede zelfs dat we terugkomen op iets dat we eerder hebben gezegd of gedaan. En daarmee komen we verrassend dicht bij het verhaal dat Jezus vandaag vertelt.
Een vader vraagt zijn twee zonen om in de wijngaard te gaan werken. De eerste zegt nee. De tweede zegt ja. Maar uiteindelijk blijkt het precies andersom te gaan. De één doet wat gevraagd wordt, de ander niet. Jezus stelt daarmee eigenlijk een heel eenvoudige vraag: Wat betekenen onze woorden wanneer ze niet zichtbaar worden in wat we doen? En misschien kunnen we die vraag niet alleen op onszelf betrekken, maar ook op de vrede. Want vrede is niet alleen iets waarover we mooie dingen kunnen zeggen. Vrede begint waar mensen iets gaan doen.
De gelijkenis lijkt een gemakkelijke boodschap te hebben. Want zeg nu zelf: wat is hier beter? Ja zeggen en nee doen, of eerst nee zeggen en later alsnog de handen uit de mouwen steken? De hogepriesters en oudsten hebben dan ook geen enkele moeite om op de vraag van Jezus het juiste antwoord te geven. Natuurlijk is het veel beter om uiteindelijk te doen wat er gevraagd wordt. Maar het probleem is dat dit alleen een gesproken antwoord is en niet – of nóg niet – een doorleefd en in daden omgezet antwoord. De hogepriesters en oudsten weten precies hoe het moet, wat hoort, wat van hen gevraagd wordt. Ze belijden met de mond het goede. Maar Jezus houdt hen na dit goede antwoord een spiegel voor. “Ik verzeker u: de tollenaars en hoeren zijn u vóór bij het binnengaan van het koninkrijk van God.”
Dat moet een harde boodschap zijn geweest voor mensen die dachten een goed en godsdienstig leven te leiden en bij God hoog aangeschreven te staan. Jezus wijst hen erop dat woorden alleen niet genoeg zijn. Woord en daad kunnen mijlenver uit elkaar liggen.
En dan komt Jezus aan het eind terug op het gedeelte dat direct aan de gelijkenis voorafgaat en dat we óók gelezen hebben. Daar hadden de hogepriesters en oudsten aan Jezus gevraagd of hij zich wilde legitimeren. Jezus genas namelijk blinden en verlamden en werd daarom door de kinderen in de tempel bejubeld met: “Hosanna, voor de Zoon van David.” En dát was tegen het zere been van degenen die Jezus op fouten wilden betrappen. Zij vonden dat hij zichzelf te veel profileerde en naar voren schoof. Zij merkten dat het ontzag van de mensen niet meer alleen voor hén bestemd was. Daarom was hun vraag aan Jezus geweest: “Op grond van welke bevoegdheid doe je eigenlijk die dingen? En wie heeft jou die bevoegdheid gegeven?”
Het zijn vragen van mensen die zich gepasseerd voelen en zich hebben ingegraven in hun eigen gelijk. Maar zoals we van Jezus gewend zijn, gaat hij niet in op hun vraag naar zijn bevoegdheid. Omdat hij weet dat het geen echte vraag is, maar een strikvraag. Daarom reageert Jezus in vergelijkbare bewoordingen en vraagt: “In wiens opdracht doopte Johannes eigenlijk?”
En omdat ze niet als ongelovigen willen overkomen, maar tegelijkertijd wel weten dat ze Johannes niet geloofd hebben, komen ze met een verlegenheidsantwoord: “Wij weten het niet.”
En dan volgt dus de parabel van de twee zonen met het ja en nee. De hogepriesters en oudsten weten dat de eerste zoon het beste deed: nee zeggen – maar later toch gaan. Maar daarmee veroordelen ze onbedoeld ook een deel van hun éigen levenswijze. Zij zeggen wel ‘ja’ tegen God en zijn goede boodschap, de boodschap van recht en gerechtigheid, maar ze zetten dat ‘ja’ niet om in daden. Ze zeggen wel ‘ja’ tegen de barmhartige en vergevende God, maar de vraag is of die barmhartigheid en vergeving ook zichtbaar worden in hun eigen handelen.
Nee, dan de eerste zoon. Die is tenminste zo eerlijk om direct vanuit zijn hart ‘nee’ te zeggen. Maar gaandeweg ziet hij in dat het misschien toch anders moet en komt hij tot een ander besluit.
Daar zit een belangrijke kant van deze gelijkenis. Grote woorden en beloften maken op God geen indruk. Net zo min als het keurig opvolgen van regeltjes, het onderschrijven van dogma’s of geloofsbelijdenissen. ‘Geloven’ is namelijk een werkwoord. Je doet het met handen en voeten. Door er te zijn voor de mens die je nodig heeft. Door ruimte te geven. Door barmhartigheid en vergeving niet alleen wóórden te laten zijn. Want als we dat niet doen, wordt ons gesproken ‘ja’ in de praktijk gemakkelijk een ‘nee’. Dat ‘ja’ krijgt pas betekenis en waarde als wij het met ons hele leven, ook in de kleinste dagelijkse dingen, willen beamen en concreet gestalte geven; geen woorden maar daden!
Maar de gelijkenis wil ons nog meer zeggen. Aan de ene kant is het dat niemand zijn geloof, of het toegezegde heil, als definitief mag beschouwen. Ook voor de ‘ja’-zeggers blijft er de voortdurende oproep om hun gedrag steeds opnieuw door het evangelie te laten bevragen. Doen ze dat niet, dan kan geloof gemakkelijk leiden tot zelfgenoegzaamheid en zelfbevestiging. Dan worden de vragen uit de wereld niet meer gehoord. Met een beroep op de Bijbel worden dan mensen veroordeeld: “God zegt het toch? En het staat toch in de Bijbel!” Daarmee wordt God als rechter opgevoerd, terwijl mensen maar al te graag zélf het vonnis vellen. Ja-zeggers moeten dus oppassen dat ze geen nee-doeners worden.
Maar de andere kant is er ook: nee-zeggers mogen weten dat niemand voor altijd vast hoeft te zitten aan een eerder uitgesproken ‘nee’. Het enige wat nodig is, is de bereidheid om opnieuw te kijken, tot inzicht te komen en eventueel een andere weg in te slaan.
Daarmee zijn we bij de tekst uit Ezechiël, waar staat dat wanneer iemand tot inzicht en inkeer komt en niet langer doorgaat op een verkeerde weg, er opnieuw leven mogelijk is. Dus: hoe ver een mens ook mag zijn afgedwaald van God, vanaf het ogenblik dat hij tot inkeer komt en bereid is zijn gemaakte fouten te herstellen, is er weer ruimte voor nieuw leven. Geen mens hoeft voor altijd vast te zitten aan zijn verleden. De vraag is: Welke zoon of dochter zijn wij? Zeggen wij vlug ‘ja’, in de hoop dat men ons daarna met rust laat, terwijl we diep van binnen misschien wel weten dat we het uiteindelijk niet zullen doen?
Wie te gemakkelijk ‘ja’ zegt, kan uiteindelijk een nee-doener worden. Maar misschien is het ook goed om soms eerst ‘nee’ te durven zeggen. Om eerlijk te zijn over onze twijfel, onze boosheid, onze onzekerheid. Want een uitgesproken ‘nee’ hoeft niet het laatste woord te zijn. We kunnen tot een ander inzicht komen. We kunnen onze mening herzien. We kunnen ontdekken dat de werkelijkheid ingewikkelder is dan we aanvankelijk dachten. Jezus vraagt ons daarom vooral niet te snel te oordelen. Wij hoeven niet uit te maken wie de beste zoon uit het verhaal is. Allemáál hebben we bekering en nieuwe kansen nodig.
Iemand had twee zonen – en beiden worden door Jezus uitgenodigd om opnieuw te kijken. De eerste zoon wordt uitgenodigd om trouw te blijven aan het gegeven ja-woord. De tweede zoon wordt uitgenodigd zijn nee nog eens te heroverwegen.
Misschien is dát ook wel een belangrijke gedachte voor deze Vredesweek. Vrede begint niet bij mensen die allemaal hetzelfde denken. Vrede begint misschien juist daar waar mensen bereid zijn elkaar te blijven zien, óók wanneer ze verschillend denken. Waar we niet meteen de ander afschrijven. Waar we luisteren voordat we oordelen. Waar we een uitgesproken standpunt niet belangrijker maken dan de mens die het uitspreekt. Vrede is dan niet alleen de afwezigheid van oorlog. Het gaat ook om de manier waarop wij hier, in ons eigen leven, met elkaar omgaan.
Een mens kan zeggen dat hij voor vrede is. Maar wat betekent dat als hij vervolgens niet bereid is om naar een ander te luisteren? We kunnen zeggen dat we voor verdraagzaamheid zijn. Maar hoe verdraagzaam zijn we wanneer iemand ons werkelijk tegenspreekt? We kunnen zeggen dat verzoening belangrijk is. Maar durven we zelf de eerste stap te zetten? Dat zijn misschien kleine dingen. Maar vrede kan klein beginnen. In een gesprek. In een hand die wordt uitgestoken. In het besluit om niet meteen terug te slaan met woorden. In de bereidheid om te zeggen: “Ik heb het misschien toch niet helemaal goed gezien.”
En daarmee zijn we weer bij de twee zonen. Het gaat uiteindelijk niet om het mooie antwoord. Het gaat om wat er daarna gebeurt. Dat is ook de reden waarom wij voorzichtig moeten zijn met het veroordelen van anderen op basis van iets waar wij het zelf niet mee eens zijn. Of dat nu een theoloog is die anders met de Bijbel omgaat dan wij doen, of iemand die een andere keuze maakt dan wijzelf. Ook die theoloog is zoeker naar God en kan ons wijzen op zaken waar we zelf nog niet aan gedacht hebben. Ook die ander kan meer zijn dan de keuze waar wij moeite mee hebben.
De dingen die verkeerd zijn, moeten we vooral verkeerd blijven noemen. Maar tegelijkertijd mogen we ons realiseren dat ook wijzelf geen foutloze mensen zijn. Als wij oprecht in het leven staan, beoordelen we mensen uiteindelijk op hun hele menszijn. Dan prijzen we iemand niet de hemel in op basis van een goede naam, vrome uitspraken of kerkelijkheid alleen. Maar we schrijven iemand ook niet af vanwege een fout, een verkeerde keuze of een uitgesproken nee.
De vraag is steeds opnieuw: Wat gebeurt er daarna? Wordt dat ‘ja’ ook zichtbaar in daden? Kan dat ‘nee’ nog veranderen? Kunnen wij écht luisteren naar wat een ander ons vertelt? Kunnen wij onze eigen overtuiging opnieuw tegen het licht houden? En kunnen wij iemand ruimte geven om niet altijd dezelfde te hoeven blijven?
Opvallend is dat geen van beide zonen in de gelijkenis wordt veroordeeld. Wie wel ter verantwoording wordt geroepen, zijn degenen die mooie woorden spreken maar niet doen wat zij zélf zeggen dat belangrijk is.
En daarmee komt de vraag uiteindelijk bij ons terecht. Deze Vredesweek loopt vandaag ten einde. Maar vrede zelf natuurlijk niet. Vrede is geen onderwerp voor één week. Vrede vraagt iedere dag opnieuw om onze aandacht. Om onze woorden én onze daden. De vader uit het verhaal zegt tegen zijn zonen: “Ga vandaag in de wijngaard aan het werk.” En wij? Wat antwoorden wij? En, nog belangrijker: Wat doen wij? Want: “Nietsdoen is geen optie.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !