Preek van de week

Scherpenzeel, 9-8-2026,
Jona 2 en Matteus 14: 22-33

Bij het voorbereiden van deze overdenking dacht ik direct aan de tsunami van 2004. Dat is lang geleden, maar de TV-beelden staan velen van ons nog helder voor ogen: golven die alles meesleurden, mensen die op het ene moment nog op het strand lagen te zonnen, die waren het volgende moment spoorloos verdwenen. Ook boten, gebouwd om de zee te trotseren, bleken weerloos. Juist daarom begrijpen we misschien beter wat water in de Bijbel vaak betekent, namelijk: niet zomaar water, maar chaos, dood en alles wat een mens dreigt te overspoelen.

Met dat beeld in ons achterhoofd luisteren we naar het verhaal van Matteüs. Het speelt zich af direct na de wonderbare spijziging. Jezus dwingt zijn leerlingen de boot in te stappen. Ze moeten dus zonder zijn aanwezigheid, zonder zijn bescherming, zélf de tocht naar de overkant maken. Jezus blijft achter en stuurt eerst de mensen weg, zodat hij in afzondering kan bidden.

Dan valt de nacht. In de Bijbel is de nacht vaak het uur van onzekerheid, van alleen zijn, eenzaamheid en dreiging. Juist in die nacht is Jezus alleen, maar toch lezen we niets over angst bij Jezus. Hij zoekt de stilte en vertrouwt zich toe aan God.
Inmiddels was het schip al ver van de wal en had het te kampen met tegenwind, waardoor de golven over het dek kwamen.
Maar als de nood het hoogst is, dan is de redding nabij, zo lijkt het wel, want tegen het einde van de nacht, kwam Jezus naar hen toe, lopend over het water. En de leerlingen zijn zó overstuur door de angst van de nacht, zó overspoeld door de bedreiging van storm en water, dat ze – in de gedaante op het water – niet Jezus zien, maar een spook dat op hen afkomt.

Dat is misschien wel het meest menselijke moment uit dit verhaal. Angst vervormt onze blik. En dat herkennen wij misschien ook, als we in de misère terechtkomen, tegenslag op tegenslag te verwerken krijgen en dan direct denken dat álles donker is om ons heen. Zelfs lichtpuntjes kunnen we niet meer ontdekken. Alles wordt gezien tegen de achtergrond van de ellende die ons overkomt – die ons in zijn greep houdt. En zo komen we in een vicieuze cirkel van doemdenken terecht. Wie of wat ons ook tegemoet komt – wij zien alleen maar ‘spoken’.

Een huisarts vertelde eens dat steeds meer mensen niét komen omdat ze ernstig ziek zijn, maar omdat ze vastlopen in zorgen. Ze slapen slecht, piekeren veel en hebben het gevoel dat alles tegelijk op hen afkomt. Vaak is er niet één grote ramp die hen overkomt, maar een opeenstapeling van kleine golven. De Belgische psychiater Dirk de Wachter spreekt in dat verband over ‘lastigheden’: kleine en grote zorgen die zich opstapelen, totdat het gevoel ontstaat dat we het niet meer aan kunnen En juist dán gebeurt wat ook de leerlingen overkomt: je ziet niet meer wat wél goed is, maar alleen nog wat bedreigend is of lijkt.

Tegen de angstige leerlingen zegt Jezus: “Blijf kalm ! Ik ben het, wees niet bang !” Het zijn die vertrouwde woorden die een kind hoort als het midden in de nacht angstig wakker wordt en huilt. Vader of moeder gaat er heen en zegt diezelfde troostende woorden: “Je hoeft niet bang te zijn; ik ben bij je.” Het zijn dezelfde woorden die Mozes hoorde toen hij in vertwijfeling was: “Ik ben het; ik ben die ik ben; Ik zal er zijn !”

En dan komt Petrus in beeld. “Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.” Petrus is in dit verhaal niét de man van de twijfel, maar juist de man die als enige zijn angst onder ogen durft te zien. De andere leerlingen? Zij wagen zich er niet eens aan. Je kunt dus ook anders concluderen en zeggen dat Petrus hier juist vól vertrouwen is en daarom iets ongekends durft te vragen én te doen. “Heer, zeg me dat ik over het water naar u toe moet komen”.

“Kom maar!”, zegt Jezus dan. Ook wij hebben soms zo’n aanmoediging nodig voordat we een grote stap zetten. Een nieuwe baan, een verhuizing, een taak in de kerk, een nieuwe relatie, een dure nieuwe aankoop, een belangrijk besluit, we zoeken bevestiging. We hopen dat iemand zegt: “Toe maar, doe het maar”. En……hebben we dan zo’n impuls gekregen, zo’n stimulans, dan kunnen we onze angst overwinnen en durven wij de definitieve stap wel aan. Dan zijn we niet bang meer.
Zo gaat het ook met Petrus – hij stapt uit de boot en loopt over het water naar Jezus toe. Vol vertrouwen. Maar toen hij vervolgens voelde hoe sterk de tegenwind was, werd hij tóch nog angstig en raakte hij zijn vertrouwen alweer kwijt.

Velen van ons zullen dat wel kennen. Dat je gaandeweg gaat inzien: waar ben ik eigenlijk in vredesnaam aan begonnen en waar is het einde? Als je ergens vol enthousiasme ingestapt bent, dan wil je de eerste scheurtjes niet zien: wrijvingen in de relatie, botsingen met de nieuwe collega’s, de nieuwe woonomgeving die toch minder goed is dan je had verwacht. En een pastorale functie in de kerk blijkt toch wel even wat anders dan elkaar even spreken bij de supermarkt.
Maar je wilt dan niet teveel bij de negatieve punten stilstaan. Doorzetten !! Niet toegeven dat het wat tegen zit. Maar ……diep van binnen, ben je je er wel van bewust, dat – als je de twijfel echt toelaat – dat die je dan wel eens in zijn greep zou kunnen krijgen.

Vaak zeggen andere mensen dan in zulke situaties: “Kom op, je moet op God vertrouwen!” Maar, gemeente, zo eenvoudig ligt dat natuurlijk niet altijd. Petrus begint te zinken en schreeuwt het daarom uit: “Heer, red mij!” Nog maar eens: Petrus was eigenlijk geen twijfelaar; hij had vertrouwen in Jezus. In de twijfel, die in elk mens huist, zelfs in de leerlingen die dicht bij Jezus staan….. in die twijfel laat Petrus zien dat hij vertrouwen heeft door te vragen: “Heer red me !” Als de dood zó dichtbij is, dan is het moeilijk om nog in redding te geloven: je gaat telkens nieuwe spoken zien. De twijfel slaat toe en wordt groter en groter.
Zoals Jona zei: “Het is de Heer die redt”, zo vertrouwt Petrus op Jezus: “Heer, red mij!  En meteen steekt Jezus zijn hand uit en grijpt Petrus beet. zoals de vis die, op bevel van God, Jona weer op het land zette.

Dit verhaal, gemeente, wordt vaak als een wonderverhaal beschouwd. Een wonderverhaal, omdat Jezus, en heel even ook Petrus over water zou kunnen lopen. Maar voor mij zit het ware wonder, voor mij zit de goede boodschap, in twee andere elementen.

In de eerste plaats is er de bevrijdende gedachte, dat wat de leerlingen, bij nacht en ontij, als spoken waarnemen, dat dat – als het er op aan komt – Jezus is. Misschien is dat wel het eerste wonder van dit verhaal: wat de leerlingen voor een spook houden, blijkt Jezus te zijn. Wat zij inschatten als onheil, blijkt uiteindelijk heil te zijn. Waar we tegenop zagen: het zal ons goed doen.

En het tweede element is dat Jezus Petrus de hand reikt, niét omdat hij heel gelovig is, maar juist omdat hij twijfelt en bang is kopje onder te gaan. Dit is dus geen voorbeeld van een verhaal over wat je kunt als je maar goed en veel gelooft. Nee, dit is een verhaal waarin duidelijk wordt dat er troost en redding is, óók voor hen die hun best doen en ondanks dát tóch tekortschieten.

Hier valt veel uit te leren, gemeente. We worden dus niet veroordeeld vanwege ons gebrek aan vertrouwen. Juist niet ! Ons wordt telkens weer de hand gereikt – hoe kleingelovig we ook zijn. Door Gods liefde en trouw worden we op handen gedragen. Wij hoeven niet over water te lopen, als we de hand maar zien die naar ons is uitgestrekt. En ook kunnen we uit dit verhaal leren, dat de schijnbare overmacht van het kwade, niét beslissend is. Uiteindelijk stapt Petrus over zijn angsten heen. Maar daarmee is hij nog geen supermens. Nee, hij gaat eerst heel bewust de onzekerheid tegemoet. Daarmee is Petrus een mens die zijn angsten overwint en zijn pad zoekt door de zee, “de onzeek’re zee”.

Ook wij zetten vaak van die stappen. Ook wij proberen onze angsten te overwinnen. Maar dan kan, als donderslag bij heldere hemel, je leven drastisch op de kop gezet worden, dan kan de grond onder je voeten wegzakken en dreigt het donkere water zich boven je te sluiten.

Soms is daar een concrete aanleiding voor: Het verlies van een geliefde, een echtscheiding, ontslag, een ongeluk dat je overkomt, een slecht bericht van de arts, of er is geen contact meer met één van de kinderen of met de ouders.
Maar soms ook is er geen enkele concrete oorzaak voor aan te wijzen. Van het ene op het andere moment zie je het gewoonweg niet meer zitten. Het leven lijkt plots een niet te ontwarren kluwen van problemen te zijn. Het wordt zó erg dat we alleen maar spoken waarnemen. We zijn dan geneigd het uit te schreeuwen: “Heer, red mij !” En soms ontdekken mensen, vaak pas achteraf, dat zij niet alléén door de storm zijn gegaan dat er iemand of iets was dat hen er doorheen heeft gesleept: een vriend, buur of arts, een therapeut, de partner, een gemeentelid, een boek, of een lied.
En achteraf durven sommigen het zelfs zo te formuleren: “Misschien was God al die tijd dichterbij dan ik kon vermoeden.”

Onlangs las ik dat een dominee een ander woord hanteerde voor een preek of overdenking. Hij gebruikte de term nodiging of uitnodiging. Ik vind dat een goede benadering. De evangelieverhalen zijn niet alleen geschreven om gelezen te worden, maar vooral ook om gedáán te worden. Als wij geloven dat Christus mensen de hand reikt, dan worden ook wij geroepen een uitgestoken hand te zijn. Een andere predikant hoorde ik in een preek zeggen: “God heeft geen andere handen en voeten dan onze handen en voeten”. Dat vraagt ons als kerkgangers om niet passief te zijn maar actief.

Misschien is dat ook wel precies de uitnodiging van dit stukje evangelie. Niet dat wij nooit meer bang zullen zijn. Ook Petrus bleef immers een mens met twijfels.  Maar dat wij, ondanks onze twijfel, toch de eerste stap durven zetten. Omdat Gods hand al naar ons is uitgestoken. En omdat hij ons vervolgens uitnodigt om zelf die uitgestoken hand te worden voor een ander.

Is dat allemaal zo eenvoudig? Nee, gemeente, dat is het niet. Maar God zegt ook tegen ons: Ik ben er – ook voor jou! Wie mee wil werken aan dat Koninkrijk van God, die moet, net zoals Petrus zijn twijfel overwinnen, de eerste stap zetten en “zichzelf van nu voortaan blijmoedig aan Hem geven.” Dat is: de Christusgeest in zichzelf omarmen.

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !