Preek van de week

Ned-vlag

Hier staat mijn laatstgehouden ( nederlandstalige) preek die wordt ververst op de zondag (ca. 13.00 uur) waarop de volgende preek wordt gehouden.
Zie hiernaast onder Pagina’s voor de gebruikte orde van dienst
Onder Pagina’s vind je ook mijn laatste Stellingwerver of Friese preek.
Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje

Oudwoude, 21-6-2026,
Jeremia 20: 7-13 en Matteus 10: 16-33

Het boek van Jorge Bucay, waarover ik het aan het begin van de dienst over had, heeft als titel “Laat me je een verhaal vertellen”. In dat boek beschrijft hij de zoektocht van de jonge Demian, die wat problemen heeft en hulp zoekt bij een psychotherapeut.
Elke keer als Demian komt, vertelt de therapeut hem een verhaal dat hij vervolgens ook nog eens op inspirerende wijze uitlegt. En dat inspirerende zit ‘m er vooral in dat hij de verbinding legt tussen dat verhaal én het leven van zijn client, van Demian dus. Ik kom daar straks op terug.

Maar: er zit een overeenkomst in met een preek in een kerkdienst. Mensen komen doorgaans naar de kerk om inspiratie op te doen. Dat kan door samen te bidden en te zingen. Maar ook door naar de verhalen uit de bijbel te luisteren en die verhalen uitgelegd te krijgen.
Voor mij persoonlijk is het zo, dat een preek pas écht waardevol voor me wordt, als ik, als het ware, zélf in het verhaal voorkom, als ik zélf persoonlijk wordt aangesproken.
En natuurlijk: het gaat om verhalen van lang geleden gesitueerd in een andere cultuur en een andere politieke situatie. Bovendien is Jezus in de evangelieverhalen nog lijfelijk aanwezig met zijn discipelen; nu niet meer. En ook is het zo dat wij de in de Bijbel beschreven situaties niet zomaar klakkeloos kunnen overbrengen naar onze tijd.
Maar tóch…… wat moeten wij met de verhalen als het alleen maar gaat over eeuwen geleden en over de wonderen die Jezus toén deed. Dan dreigt geloven vooral een kwestie te worden van gelijk hebben of óngelijk hebben. Dan raak je verzeild in discussies over het waarheidsgehalte van bijbelteksten: is dit of dat verhaal wel of niet letterlijk zo gebeurd, zoals het er beschreven staat?
Maar, gemeente, geloven speelt zich niet alleen af in het hoofd. Het heeft vooral ook met ons hart en onze levenshouding te maken. Ook is geloven niet iets om er vooral steeds over na te denken; geloven is immers een werk-woord. En tenslotte: geloof is niet iets dat we anderen moeten opdringen; geloven is iets om zelf in te groeien in geestelijk opzicht.

De schriftlezingen van vandaag hebben met elkaar gemeen dat ze van een negatief deel overgaan naar het positieve. De tekst uit Jeremia begint met de klacht van Jeremia dat hij overal wordt bespot en beschimpt, nagefloten. Hij ziet hoe de mensen hem benaderen als de onheilsprofeet. En ze apen hem na: “Overal paniek! Overal paniek!”
Maar dan gaat het vanaf vers 11 over op een diep vertrouwen dat God Jeremia uiteindelijk niét in hun greep zal geven.

En in Matteus 10 begint het met waarschuwingen over vervolgingen. “Ik zend jullie als schapen onder de wolven.” en “Pas op voor de mensen.” en “Jullie zullen door iedereen worden gehaat.”
Maar dan komen vanaf vers 26 de geruststellingen. Tot drie keer toe staat er: “Wees niet bang”. En dié aanmoediging – om niet bang te zijn – dat is niet zomaar een algemene uitspraak over niet bang te hoeven zijn voor de toekomst, voor het onbekende. Nee, Jezus gaat in op concrete kwesties waar men bang voor kan zijn.

De eerste “Wees niet bang” slaat op de tegenstanders. Wees niet bang voor hén, voor degenen die je vervolgen. “Wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken.” Dit “Wees niet bang” is hier een oproep om naar buiten te gooien waar je hart vol van is. Je moet niet bang zijn voor degenen die zélf menen dat jij vooral bang voor hén moet zijn…..

Het tweede “Wees niet bang” slaat op de waarheid en echtheid. “Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden.”

Dat hebben ze met Jezus geprobeerd: “Aan het kruis met hem! Weg met hem!” En nu – tweeduizend jaar later hier in de kerk – nu hebben we het nog steeds over hem. Zijn ziél is niét dood.
Ze hebben het met Dietrich Bonhoeffer geprobeerd, de Duitse predikant die, ook in zijn gevangenschap, onverstoorbaar aan zijn geloof bleef vasthouden. Hij werd vlak voor het einde van de oorlog ter dood gebracht. Maar zijn visie en levenshouding is voor velen nog steeds een bron van inspiratie. Zijn lichaam is dood – maar niet zijn ziel.
Ze hebben het geprobeerd met Nelson Mandela. Maar hij liet zich niet bepalen door vernedering of bitterheid. Zijn kracht lag juist daarin dat hij menselijkheid bleef zien — óók bij zijn tegenstanders. Ook van dergelijke mensen zouden we met lied 663 dus kunnen zingen: “Al heeft hij ons verlaten – hij laat ons nooit alleen wat wij in hem bezaten is altijd om ons heen.”

“Wees dus niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden.” Bij deze tekst gaat het er dan wel om dat je bij jezelf een antwoord vindt op de vraag: wie ben ik? Wat is mijn ziel? Vanuit welk perspectief kijk ik naar mezelf? Ben ik degene zoals anderen mij beoordelen? Of ben ik mezelf? Authentiek?
Bonhoeffer vroeg zich af: ben ik degene die Hitler ten val wil brengen of ben ik degene die het Rijk van God vandaag wil verkondigen? Mandela kon zich afvragen: ben ik degene die in opstand komt tegen het apartheidsregime en rassenhaat of ben ik degene die zich sterk maakt voor gelijkstelling van blank en zwart en voor waarheidsvinding?
Beide invalshoeken zijn op hen van toepassing. Maar zelf besloten ze dat vooral hun eigen beeld het belangrijkste was. Het beeld dat bij hen zelf paste en dat ze naar buiten konden uitdragen.

Bij dit tekstgedeelte moest ik denken aan dat boek van Jorge Bucay, ‘Laat me je een verhaal vertellen’. Daaruit in een samenvatting het volgende verhaal:

De jonge Demian komt bij zijn psychotherapeut met klachten over zijn zelfbeeld. Bovendien vertrouwt hij ook anderen steeds minder. De therapeut vertelt hem daarom het verhaal van Sinclair.
Hij zei: Sinclair leefde jarenlang hetzelfde rustige leven. Tijdens een wandeling kwam hij zijn docent, professor Exter, tegen. Sinclair stak vriendelijk zijn hand op, maar de professor liep hem zonder groet voorbij. “Ach”, dacht Sinclair, “hij zal wel verstrooid zijn.”
Daarna bezocht hij zijn oude vriend Mario. Enthousiast wilde hij hem omhelzen, maar Mario zei verbaasd: “Pardon meneer, kennen wij elkaar?” Toen Sinclair aandrong, werd hij zonder pardon buitengezet.
Verdrietig ging hij dan maar naar zijn stamkroeg. Zijn vrienden zaten gezellig te praten, maar zodra Sinclair bij hen aanschoof viel het gesprek stil. “Waarom doet iedereen zo vreemd tegen mij?” vroeg hij wanhopig. Eén van het groepje antwoordde: “Meneer, wij kénnen u helemaal niet.”

Dié woorden bleven bij Sinclair hangen. Thuis vroeg hij zich af: wie bén ik eigenlijk? Bij de professor ben ik de student, bij Mario de jeugdvriend en in de kroeg de grappenmaker. Maar wie ben ik zónder al die rollen? Wie bén ik eigenlijk?
Toen besefte hij dat hij altijd had geleefd naar de beelden die ánderen van hem hadden. Hij realiseerde zich dat hij ‘zichzelf’ moest worden, zonder afhankelijk te zijn van verwachtingen van anderen.

Vervolgens ging hij weer naar de professor, naar Mario en naar de kroeg. Alles was weer net zoals vóór die tijd — behalve hijzelf. De anderen hadden gelijk gehad: ze kenden zijn rollen, zijn verleden en zijn gedrag, maar wie hij werkelijk was, dát kenden ze niet. Nu Sinclair zichzelf was leerden ze hem pas echt kennen….

………“Wees dus niet bang voor hen die wél het lichaam maar niet de ziel kunnen doden.” Die tekst geeft dus aan dat mensen wel beelden van jou kunnen maken en dat ze die beelden – die uiterlijke kenmerken – dat ze die zelfs kunnen breken of doden. Maar jouw ziel, jouw eigenlijke zelf, die kunnen ze nooit echt breken.
De vrijdag overleden Eppie Dam dichtte het in een gebed zo mooi:

Wês ús passy en ús treast;
dat wij frijút wêze kinne
dy’t wij binne nei de geast:
hert en siel troch alles hinne.
Dat was de tweede “Wees niet bang”.

De laatste aansporing om niet bang te zijn heeft betrekking op wat mensen “waard” zijn. En daarbij wordt gerept over de twee mussen die zo goed als niets kosten en dood neervallen. “Maar er valt niet één dood neer buiten jullie Vader om.” Met andere woorden: God vergeet ons niet – wát er ook gebeurt.

In dit tekstgedeelte worden we dus drie keer aangespoord om niet bang te zijn, Maar ook in het éérste deel van onze Matteustekst – het deel over de vervolgingen en met de waarschuwingen – daarin staat ook al zo’n zin: “Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan – niet bezorgd – af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven.” Ook dat is zo’n tekst die verwijst naar openheid en eerlijkheid over jezelf.

En die woorden “Wees niet bang” raken natuurlijk niet alleen grote historische figuren als Bonhoeffer of Mandela. Ze raken ook heel gewone situaties uit ons eigen leven.

Soms zit iemand tegenover een arts en krijgt een boodschap die als een bom binnenkomt. Ineens ziet de toekomst er anders uit. Er komen onderzoeken, behandelingen en onzekerheden. En dan kan de vraag zich opdringen: wat blijft er van mij over als mijn gezondheid mij in de steek laat?

Of iemand verliest zijn partner na jarenlang samen te zijn geweest. Dan verandert niet alleen de dagelijkse routine, maar ook iets van je identiteit. Je was niet alleen jezelf; je was ook echtgenoot, echtgenote, levensgezel. En dan moet je opnieuw leren leven met de vraag: wie ben ik nu?

Of iemand raakt zijn werk kwijt. Werk dat niet alleen inkomen gaf, maar vaak ook eigenwaarde, structuur en contacten. Wanneer dat wegvalt, kan de onzekerheid diep ingrijpen. …..

Juist in zulke omstandigheden krijgen de woorden van Jezus betekenis: Wees niet bang.” Niet omdat ziekte, verlies of onzekerheid verdwijnen. Niet omdat er geen verdriet meer is. Maar omdat een mens meer is dan zijn gezondheid, meer dan zijn werk, en meer dan de rol die hij jarenlang heeft vervuld.
Er blijft iets wat niet afhangt van omstandigheden, van prestaties, of van het oordeel van anderen. Er blijft die mens die door God gekend wordt en die daarom niet hoeft te leven vanuit angst alleen.

Mensen die een groot verdriet hebben meegemaakt, vertellen soms hoe alleen ze zich voelden. Niet omdat anderen onverschillig waren, maar omdat mensen niet kwamen omdat ze geen woorden konden vinden. Maar wie verdriet heeft, zoekt vaak niet naar sluitende antwoorden of goedbedoelde troost. Veel belangrijker is een luisterend oor en de ervaring dat iemand werkelijk aanwezig is. Sommigen zijn bang voor zo’n ontmoeting, bang voor het verdriet en bang voor de stilte. Toch kan juist die stilte soms meer troost bieden dan woorden.

Misschien is dát uiteindelijk de kern van geloven: niet dat wij altijd precies weten wat we moeten zeggen, niet dat wij nooit bang zijn, en ook niet dat wij onszelf volledig doorgronden. Maar dat wij stap voor stap durven leven als de mens die wij ten diepste mogen zijn. Niet opgesloten in verwachtingen van anderen, niet gevangen in rollen die ons worden opgelegd, maar gedragen door het vertrouwen dat wij door God gekend zijn — nog vóór anderen ons begrijpen.

Rabbi Susja heeft eens gezegd: “In het toekomende Rijk zal mij niet gevraagd worden: Waarom ben je niet Mozes geweest? Mij zal gevraagd worden: Waarom ben je niet Susja geweest, niet jezelf??”

Of wij nu gezond zijn of ziek, sterk of kwetsbaar, vol vertrouwen of vol vragen: wij blijven mensen die door God gekend worden.

Wij mogen – in vertrouwen op Gods licht en liefde – leven naar wie wij ten diepste zijn. Daarom klinkt ook vandaag voor ons dat woord: “Wees niet bang.”

Wil je een reactie geven? Stuur een mailtje !

===========================================
De eerstvolgende Nederlandstalige preek wordt geplaatst op de eerstvolgende dag waarop ik een dienst heb om circa 15.00 uur.